Allerzielen

Dit wordt de derde keer dat ik een stukje schrijf dat Allerzielen als titel heeft. Logisch eigenlijk, want vandaag is het Allerzielen En dit jaar lijkt die dag ook precies op Allerzielen, precies zoals zo’n dag eruit hoort te zien. Goudgele kleuren, aanvankelijk getemperd door een grijze mistdeken, maar nu stralend in de volle zon. Misschien is het wel het eeuwig licht dat mijn doden verlicht en waarbij zij rusten in vrede. Het oude vergeten prevelementje komt weer bij mij binnen en ik ben weer met mijn moeder op het kerkhof waar haar vader en moeder, mijn opa en oma die ik nooit gekend heb, begraven liggen. Allerzieen 1951 of 1952. In een stille stoet loop ik, mijn handje in haar hand, met haar langs de veertien kruiswegstaties die in de kerkhofmuur zijn aangebracht. En ik hoor weer de priester in zwart kazuifel bij elke statie bidden: “Heer, geef hen de eeuwige rust en het eeuwig licht verlichte hen. ” En de stoet antwoord met: “Dat zij rusten in vrede.” Het jongetje van vijf, zes jaar dat ik ben, begrijpt niet wat er gezegd wordt. Als je zo oud bent heb je geen weet van wat eeuwig zou kunnen zijn. En nu, zoveel decennia later, nog steeds niet. Eeuwig licht, nooit meer donker? Rusten,slapen met het licht aan? Dat zijn de gedachten van het manneke aan de hand van zijn moeder, met zijn voeten schuifelend door het bladerendek. Van doden heeft hij nauwelijks weet. Ja, zijn nooit gekende opa en oma, maar daar kan hij zich niets bij voorstellen. Hij kent geen doden. Nog niet. Nu wel. Een schier onafzienbare rij. Zijn vader en moeder, zijn broers en zussen en zwagers en schoonzussen: Johan en Dina, Theo, Ton, Miep, Nel, Truus, Henk, Aloys. Zijn vrienden,  schoonouders, neven en nichten, ooms en tantes: Wim en Cees, Nel en Bert, Dien, te veel om op te noemen. Voor even weer in de herinnering. Maar hoe zij waar zijn? In het eeuwig licht? “Dat zij rusten in vrede.”  Dat zou mooi zijn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *