Kiki

Ik heb zojuist naar Kiki gekeken. En ik zag hoe ze in twee sets naar verwachting verloor van Caroline Wozniacki, de nummer twee van de plaatsingslijst. Het was in Australië net na middernacht toen de partij was afgelopen. In mijn tijd was dat nog het uur dat kleine meisjes al lang op bed moesten liggen. Ik vind het maar een raar tijdstip om op die onmogelijke tijd een topsportprestatie te moeten leveren. Kiki’s tegenstandster was bovendien naast het tennissen vooral druk bezig zich druk te maken over het feit dat de baan te ‘slippery’ was en maakte daarover ruzie met de scheidsrechter. Ze ergerde zich ook aan de fotografen en  aan het “Kiki, Kiki” scanderende publiek, waardoor ze te maken kreeg met wel drie tegenstanders: de umpire, Kiki en zichzelf. Maar Bertens verloor omdat zij op het momenten dat het kon de punten niet pakte. Het Cruyffiaanse adagium “Als je niet scoort kun je niet winnen” deed ook hier weer onverminderd opgeld.
Ik mag graag naar tennissen kijken. Oh, ik ben zo’n sportief type. Ik heb zelf ook nog getennist. Bij twee clubs zelfs. Bij een van die clubs stonden krukken aan de bar met blauw geverfde poten. En er liepen leden rond wiens punten van hun tennisschoenen blauwer zagen van de afgevende verf van de barkrukken dan dat die punten de roodbruine kleur van het gravel hadden. De kantine was meer hun biotoop dan het tennisveld. Ik heb daar maar kort gespeeld. Een tennisarm maakte een voorbarig einde aan dat wat nooit een tenniscarrière zou worden. Jaren later ben ik ook nog even lid geweest van de club waar Gade al speelde. Gezien mijn fragiele elleboog was ik ook daar geen explosieve speler, maar gespecialiseerd in lepe balletjes. Dit tot ergernis van Gade. Ze had gelijk. Mijn tennis was maar een flauwe afspiegeling van wat eigenlijk de bedoeling van dit spelletje was. Scherp geplaatste ballen, krachtig gespeeld met veel en snel voetenwerk. Het is er nooit van gekomen. Maar met mijn lepe spel won ik wel eens een setje, maar glorieus nee, zo wil ik het, zelfs als ik de herinnering oppoets, niet noemen.

Nog geen reacties op dit bericht

Windkracht

Er gaat geen storm voorbij of ik heb er wel een stukje aan gewijd. Dat is gemakkelijk na te gaan als ik als zoekwoord ‘storm’ intik. Nu zijn dat natuurlijk ook hoogtepunten in het bestaan van een pensionado dat verder nauwelijks nog stormachtige periodes kent. Ik zag hoe de laurier achter in mijn tuin het zwaar te verduren heeft gehad en een diepe buiging voor het windgeweld leek te maken. Nu, alle kleurcodes zijn ingetrokken, wiegt ze zachtjes op het windje dat rest van de storm. Het lijkt of ze glimlacht, trots dat ze het geweld ongeknakt heeft overleefd. Op Facebook zie ik hoe dichtbij de storm wel heeft toegeslagen. Hoe ontwortelde bomen hele tuintjes aan het zicht ontnemen en van een keurig onderhouden achterom een schier ondoordringbare jungle hebben gemaakt waar alleen met een machete nog een weg is te banen. Op Nederland 1 is er zelfs een doorlopend extra journaal aan het winderige weer gewijd. In een half uur tijd zie ik wel zes keer de zelfde beelden langskomen. Omwaaiende reclamezuil, door de wind voortgejaagde mensen,omvallende zeecontainers en voor de zoveelste keer de brandweerauto uit Loenen onder een dwars over de weg liggende boom.Het wegwaaiende dak in Rotterdam lijkt snel hersteld en weer getroffen. Het journaal kan er geen genoeg van krijgen om steeds de zelfde beelden te herhalen en de zelfde interviews te herhalen en telkens weer krijgt het kleine jongetje op zijn moeders arm te horen dat ze in afwachting van een hervatte treinenloop wel even een broodje gaan eten.
Als ik de NTS was zou ik de beelden goed bewaren om ze bij een volgende storm onverkort weer uit zenden. Dan hoeven er geen verslaggevers de weg op om het volk te vertellen dat ze niet de weg op moeten gaan. En ik zelf neem mij voor om bij een volgende storm geen nieuw stukje te schrijven maar gewoon mijn blog van 31 maart 2015, 28 oktober 2013 of 13 september 2017 te herplaatsen. Een storm is een storm.

Nog geen reacties op dit bericht

Mening

Van heel veel dingen vind ik wel wat. Van een heleboel meer andere dingen vind ik niets. Ik heb dan geen uitgesproken mening. Daarvoor zijn een aantal redenen. Ik zie vaak van iets zowel de ene als de andere kant, want er zijn maar weinig zaken die of goed of fout zijn. Meestal is er sprake van goed en fout en dan vind ik het moeilijk absoluut voor of tegen te kiezen. Geregeld overkomt het mij ook dat iets waar de mensen, wie dat ook mogen zijn, zich vreselijk druk over maken, ja zelfs de barricaden voor opgaan mij in het geheel niet raakt. Een te ver van mijn bed show of in mijn ogen te onbenullig om mij lang mee bezig te houden of iets van te vinden.
Het overkomt mij geregeld dat ik met verbijstering, een lichte weliswaar, iemand een standpunt in zie nemen  zo absoluut dat elke mogelijkheid tot nuance afgesneden is. Zij lijken precies te weten hoe de wereld in elkaar zit althans in elkaar zou horen te zitten. En zou je daar iets tegen in willen brengen dan voel je je al gauw ondergebracht in het kamp van de onwetenden, de onbenullen die het grote verband weigeren te zien. Een prima plek overigens waar veel genuanceerde denkers, twijfelaars en vragenstellers huizen. Geen types van het zeker weten en van het zo is het. Op die plaats wonen de dichters, de artiesten, de het-zou-best-ook-eens-kunnen-zijnders. Daar heerst de verbeelding, is de fantasie aan de macht.
Maar hoe tegenstrijdig is de mens? Soms reken ik mij tot bewoners van dat imaginaire Utopia, maar met even veel overtuiging vul ik de vragen van het 1-Vandaagpanel in en geef, zonder ook maar enige nuance, mijn opvatting of ik voor of tegen de nieuwe euthanasie wet ben of een andere politieke of ethisch gelaagde kwestie. En ’s avonds zie ik op tv of ik hoor bij de meer- of minderheid. Dan heb ik vaak de neiging om dan alsnog  “ja, maar” te zeggen. Mijn mening is in procenten vertaald, wiskundig geduid en in een trend omgezet en van elke nuance ontdaan. Misschien schrijf ik me wel uit als panellid. De twijfel is mij te lief.

Nog geen reacties op dit bericht

Keizer Karelplein

Het was maar een halve dag, want toen werd het bericht door RTL al weer ingetrokken, dat het Keizer Karelplein het verkeersgevaarlijkste plein van Nederland was. Maar in die halve dag was dat plein in mijn stad toch het ogenschijnlijke centrum van de wereld. Er waren natuurlijk mooiere pleinen, er waren pleinen met meer allure. Ik dacht aan de fraaie pleinen die ik bezocht. De Grote Markt in Brussel, het Piazza del Campo in Sienna, het St. Pietersplein in Vaticaanstad het Paleisplein bij de Hermitage in St. Petersburg, de Place du Tertre in Parijs. Maar hoe mooi die pleinen ook zijn, geen van hen is ooit uitgeroepen tot gevaarlijkste plein van respectievelijk België, Italië, het Vaticaan, Rusland of Frankrijk. Zelfs niet voor een halve dag. Die tijdelijke titel is vergeven aan ons eigen Keizer Karelplein. Een plein dat gemaakt is naar het voorbeeld van de Place d’Etoile en dat, ik heb het niet kunnen nazoeken, misschien wel het meest gevaarlijke plein van Frankrijk is. Ik heb het ooit te voet overgestoken om onder de Arc de Triomphe te kunnen staan, slalommend door de vele rijen auto’s die mij luid claxonnerend wezen op het schier vermetele van die poging. Maar ik heb het ongeschonden met een paar klasgenoten – het was nog in mijn HBS-tijd – volbracht. Ook het Keizer Karelplein heb ik in mijn leven maar een keer lopend overgestoken. Om het fiere ruiterstandbeeld van de naamgever van het plein van dichtbij te bekijken. Een beeld dat een beter toegankelijke plaats verdient.
Ontelbare malen heb ik inmiddels het plein met de auto genomen. Schadevrij, al is dat natuurlijk wel de duivel verzoeken en zul je zien dat …
In mijn rijopleiding heb ik niet geleerd hoe met dit plein om te gaan. Ik leerde als dienstplichtig militair rijden in Breda en kon destijds voor een rijksdaalder mijn militaire rijbewijs om laten zetten naar een burgerrijbewijs. Kwade tongen beweren dat je in mijn rijstijl nog  de militaire opleiding kunt herkennen. Misschien dat ik daardoor nooit geen last heb gehad van Keizer Karelpleinvrees.

Nog geen reacties op dit bericht

Minimaïs

Het is een zakje met kant en klare saus. Natuurlijk weet ik dat het waarschijnlijk te zout is, te veel suiker bevat en vol zit met E-nummers die mij helemaal niks zeggen. Maar het gemak dient de mens en het zal best lekker smaken. Om er een nog smakelijker geheel van te maken moet ik er kipblokjes bij doen en een courgette in blokjes snijden. De kipblokjes komen van de biologische slager en dat maakt natuurlijk weer heel wat goed. De courgette heb ik bij de groenten zo gevonden. De meeste dagelijkse benodigdheden weet ik blindelings te vinden in de winkel. Het enige waar ik met mijn ogen dicht over zou struikelen zijn de dozen en containers die her en der in de winkel de paden versperren en de supermarkt de allure van een slordig ingericht pakhuis geven. Het recept op het zakje saus beveelt onder het kopje ‘zelf toevoegen’ ook nog aan er een blikje minimaïs bij te doen. Ik neem aan dat ze bedoelen de inhoud van het blikje, anders wokt het zo onhandig. Ik spoed mij naar de afdeling ingeblikte groenten. Een lange wand lijkt mij toe te grijnzen. Alle groenten van de  versafdeling lijken ook in blik of glas gevat te zijn. Spinazie, boontjes in allerlei soorten en maten, noem maar op, het is er in grote blikken, kleine blikjes en glazen potten en potjes. En ook maïs, corn en sweet, gemixt met erwtjes. Maar hoe ik ook speur, geen minimaïs naturel. Ik schiet een vakkenvuller aan. Die heeft de instructies goed begrepen en helpt mij beleefd zoeken of doet in ieder geval alsof. “Het spijt mij meneer, maar ik denk niet dat wij dat op voorraad hebben.” Nee, dat denk ik ook niet, anders hadden we het na zoveel minuten gezamenlijk speuren vast wel gevonden.”Prettige middag verder meneer” Ik richt mij tot een hoger in de AH-hiërarchie staande winkelbediende. Het blijkt dat ik voor minimaïs helemaal op de verkeerde plek heb staan zoeken. Nee, niet bij de blikgroenten, voor minimaïs moet ik bij de conimexwand zijn,twee gangen terug, daar waar ik mijn zakje saus insloeg. Hij gaat mij vooraf. “Minimaïs”, mompelt hij en bukt zich en richt zich op met een blikje in zijn hand.  In sierlijke letters staat op het etiket dat het om Baby Maïskolfjes gaat.
Ben benieuwd of het echt smaakvol is in roerbakgerechten zoals er in wervende tekst op het blikje staat.
Voor de tweede keer wordt mij een prettige middag gewenst.

1 reactie op dit bericht

Geheugen

Vandaag bedacht ik mij dat ik mij niet kon herinneren dat ik al iets over #Meto0 had geschreven. En dat wat je je niet kunt herinneren lijkt ook nooit bestaan te hebben. Ik weet wel dat ik het een lastig onderwerp vind en dat als je over zou schrijven het de nodige nuance verdient. Er is niet maar één waarheid. Voor de zekerheid, want wat je je herinnert hoeft niet altijd waar te zijn, kijk ik even in mijn archief. Ik bedenk dat waarheid en werkelijkheid  bewoners van het zelfde huis lijken te zijn, maar in de praktijk zijn het vaak niet eens goede buren, laat staan verre vrienden. Ik tik als zoekwoord ‘metoo’ in en ontdek tot mijn verrassing dat ik op 23 oktober vorig jaar al een stukje daarover schreef. Ik had er een dure eed op willen doen dat ik dat niet gedaan had. Dat was mijn oprechte waarheid, maar de werkelijkheid bleek anders. Het stukje gaf ik als titel ‘Flirt’ mee. Als ik het nu terug lees is het of ik de tekst voor het eerst zie, terwijl ik hem toch zelf heb geschreven. Het verwondert mij steeds weer hoe het geheugen werkt. Het is een zeef waarvan de gaatjes de ene keer groter zijn dan de andere. Soms vallen er dingen doorheen die ergens terecht komen waar je niet zo maar een, twee, drie bij kunt. Ze lijken voor goed vergeten. En er zijn zaken, van vaak veel langer geleden en van een groteske onbelangrijkheid, die beklijven en daardoor actueel blijven.
Waarom ik nu dacht nog niets over #metoo geschreven te hebben kwam omdat ik er gisteren met iemand over in gesprek kwam. Maar dat was niet voldoende om mij mijn blogje te herinneren. Wel dacht ik dat het een goed onderwerp kon zijn voor een stukje. Maar dat bleek dus al geschreven te zijn en daar heb ik niets meer aan toe te voegen.

Nog geen reacties op dit bericht

Goed

Ik weet niet of het aan de tijd van het jaar ligt, waarin het wat omfloerste licht, met de zon meestentijds ver achter de wolken, alles wat lijkt te verzachten of dat de mensheid wat liever en aardiger is naar elkaar dan anders en de geest van Kerstmis nog na-ijlt, maar het valt mij op dat ik dit nieuwe jaar herhaaldelijk wordt aangesproken door vrienden en bekenden en de openingszin dan luidt: “Wat zie jij er goed uit!”
Ik heb geen flauw idee of dat zinnetje klopt. Je kijkt met je eigen ogen toch vaak wat kritischer naar je zelf en dan heb ik nog al wat kritiekpuntjes en zie vooral die rare pukkel bij mijn neusvleugel of dat net even iets te veel hangende ooglid. Misschien is het niet meer dan een beleefd begin van een vriendelijk gesprek. Soms denk ik wel eens dat sommige mensen op de een of ander manier gehoord hebben van de ongemakken waarmee ik van doen heb en dan verbaasd zijn dat dat niet geleid heeft tot een grauw uiterlijk en aangezicht waarin het dodenmasker zich al in eerste contouren aan het aftekenen is.
En misschien is het ook echt wel zo dat ik er goed uitzie. Als het waar is dat de ogen spiegels van de ziel zijn dan klopt het dat die stralen en flonkeren. Want met de geest is nog weinig aan de hand. Hoe komt het toch dat een lijf ouder en ouder wordt maar dat de geest (als je een beetje geluk hebt) je nog steeds wil doen geloven dat je 25, nou vooruit 35 bent? In gedachte durf ik als een leeuw op voetbalschoenen (hup Jan, hup) de hele wereld aan. Hoe anders is dat als dat trage lijf dat zich maar moeizaam van A naar B beweegt en dat met zuchten en steunen haalt en tot de geruststellende ontdekking komt dat A en B nauwelijks van elkaar verschillen.
“Je ziet er goed uit.” Ik ben van nature geneigd mensen op hun woord te geloven.

2 reacties op dit bericht

Cees

Vandaag zou Cees 64 zijn geworden. Zou, want iets meer dan drie jaar geleden ging hij dood. Te vroeg, veel te vroeg. Net na de grandioze presentatie van zijn boek over Radio Kootwijk, zijn geboorteplaats, begaf zijn lichaam het. Zijn geest had nog jaren mee kunnen gaan, sprankelend, eloquent, scherpzinnig en van tijd tot tijd angstwekkend venijnig. Had ik nog heel lang van willen genieten.
Op mijn bureau staat naast mijn laptop het gedachtenisprentje voor Cees.Hij staat met een fijnzinnige glimlach in een muuropening. Hij kijkt vorsend. Achter hem een stralende zon. Cees op zijn best. Maar het is maar een foto.
Tot mijn verrassing is de FB-pagina van Cees nog steeds ‘in de lucht’. Het laatste bericht dat hij geplaatst heeft, is het delen van mijn blog van 26 augustus 2014 dat gaat over zijn Mariken-bewerking en het door hem zo mooi gebruikte woord hunkering.Hij laat op 1 september 2014, 3½ maand voor zijn overlijden, het delen van mijn blog vooraf gaan door zijn opmerking “Ik heb niet voor niets geleefd”.
Het slot van zijn Mariken-bewerking, ter herinnering, ter ere van Cees:
Nu vliegen vogels achteruit en worden kleiner
het nest valt in een takkenhoop uiteen
De jongen kruipen kermend in het ei
Er jagen wolken door de grauwe lucht
te hard, te snel om nog te volgen
Ik hoor de echo van mijn woorden voor mij uit
Er breekt iets, scheurend, zeurend als een pijn
En het verdwijnt; alleen de hunkering
Die blijft, de hunkering die blijft, de hunkering.

2 reacties op dit bericht

Regels

Ik ben sinds enige tijd in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart. Voor bestuurders wel te verstaan.Er is ook een kaart voor passagiers.Ik legde al ooit eerder het onderscheid uit. Nadat ik op het stadhuis mijn kaart had opgehaald werd mij daar te verstaan gegeven dat de bestuurderskaart alleen voor mij als bestuurder was. Zou Gade mij ergens naar toe rijden dan was het op straffe van intrekken van de kaart met de lange naam haar verboden met mij op een gehandicapten plaats te gaan staan. Dus leek het mij raadzaam ook een passagierskaart aan te vragen, te gebruiken als Gade reed of ik gast was in iemand anders auto. Zulks adviseerde mij ook de jonge ambtenares die mijn bestuurderskaart uitschreef. Ik vroeg de passagierskaart aan en stortte het keuringsbedrag. Vandaag had ik de afspraak met de keurende arts die mij uiteraard onmiddellijk herkende. Vijf weken gelden was hij het die positief adviseerde over mijn bestuurderskaart. Ik dacht dat de keuring nu een fluitje van een cent zou zijn, al mijn gegevens en ongemakken waren hem genoegzaam bekend. Maar ik had buiten de waard of liever gezegd de dokter gerekend. Want ik was weliswaar gammel genoeg voor een bestuurderskaart, maar de vereisten voor een passagierskaart waren veel strenger. Daarvoor moest ik volstrekt afhankelijk zijn van de ondersteuning van derden of rolstoelgebonden. Het feit dat ik nog kon staan en een paar passen pijnlijk lopen waren hinderpalen voor het verkrijgen van een passagierskaart. Daar kon de dokter helemaal niets aan doen, zo waren de aangescherpte regels nu eenmaal. Het enige dat hij mij kon aanraden, maar hij zou ontkennen dat ooit gezegd te hebben,  was dat als ik bijvoorbeeld naar Den Haag zou rijden en dat Gade dan zou chaufferen  omdat voor mij  te vermoeiend zou zijn, we kort voor aankomst van plaats zouden moeten wisselen en ik dan het voertuig op de gereserveerde parkeerplaats zou inparkeren. Dan was ik immers de bestuurder die met  gebruik van de op mijn naam staande kaart conform de regels die plaats mocht bezetten.
Nee, hij kon dus geen positief advies uitbrengen. Het keuringsgeld was ik door deze afwijzing kwijt. Toen ik hem aanraadde van zijn honorarium voor dit 1-minutenadvies lekker te gaan eten, voegde hij mij toe dat die vergoeding wat tegenviel. Ik wenste hem een smakelijk frietje mèt toe. Ach, hij had de regels tenslotte ook niet gemaakt.

1 reactie op dit bericht

Tijd

Er is voor alles een tijd. Dat leert het Bijbelboek Prediker ons al. Lees maar mee: “Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel. Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven,een tijd om te planten en een tijd om te rooien. Er is een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen.” En zo gaat dat derde hoofdstuk nog een een vers of tien verder. Het lijkt of sommige tijden voor bepaalde dingen meer geschikt zijn dan andere. Zo lijkt deze week aan het begin van het jaar een uitstekend tijdstip te zijn om te sterven. Op ons kleinste kamertje hebben we niet alleen een verjaardagskalender hangen, maar ook een kalender waarop we de sterfdagen van familie, vrienden en goede bekenden bijhouden. Deze week gaat er geen dag voorbij waarop er niet iemand uit onze kring overleden is. Het zijn niet voor niets nog steeds donkere dagen. Het is een gemêleerd gezelschap dat deze week in de loop der jaren het tijdelijke met het eeuwige (of iets dergelijks) verwisselde. Twee neven, mijn opa die Theo heette en al in 1905, 40 jaar voor mijn geboorte, stierf, een overgrootvader Jacobus die deze week in 1834 overleed en zijn sterfdag precies vandaag deelt met die van mijn schoonmoeder in 2003. En het is ook deze week dat mijn broer Theo in 1979 maar 53 jaar mocht worden.
Ja, Prediker zei het al, er is een tijd voor sterven, maar om de een of andere reden zijn er deze week wel heel veel sterfdagen te gedenken.
Ik troost me met de gedachte dat er ook weer een tijd komt, en natuurlijk ook al is, om te lachen, te planten en te helen!

Nog geen reacties op dit bericht