Boeman

We, jij en ik, de mensen hebben kennelijk een boeman nodig. Iemand die we tot vijand kunnen verklaren, waar we bang voor zijn, zonder er al te veel van te weten. Kampioen boeman is al sinds jaar en dag Rusland, dat enge verre land dat destijds veilig opgeborgen leek achter een stevig ijzeren gordijn, een gordijn waarvan nu alom betreurd wordt dat het open geschoven is.
Ook ik ben met dat beeld van een monstrueus Rusland groot geworden. Mijn vader bad toen ik klein was bij het naar bed gaan voor mij altijd het volgende gebedje: “Kindje Jezus klein, houdt toch Jantjes hartje rein, laat toch nimmer toe, dat hij zonde doet. Alles uit liefde voor Jezus en Maria. Jezus redt Rusland, Jezus redt Rusland, Jezus redt Rusland.” Elke avond maar liefst drie keer die bede om Rusland te redden. Waarvan? Even leek Rusland gered. Vriendschapsverdragen werden op elk niveau gesloten en het vijanddenken ging de  koelkast in. Daar leek voldoende ruimte nu de koude oorlog  aan ontdooien toe was. Maar inmiddels is het vijanddenken weer opgepoetst en de koude-oorlogthermostaat weer op de stand verkilling gedraaid. Rusland is weer de boeman die beticht wordt van een expansiedrift waar de USA nog een puntje aan kan zuigen.
In De Groene Amsterdammer van 15 september lees ik een essay van Chris van der Heijden die kort en krachtig een verklaring geeft van onze Rusland-angst. Die wordt ingegeven door een aan tsaar Peter de Grote toegeschreven maar vervalst testament waarin deze stelt dat “al het mogelijke, via kracht of list, gedaan moet worden om de chaos van Europa te bevorderen.” En op die vervalste regel baseren velen hun angst voor Rusland en rechtvaardigen zij hun opvattingen over de verhoudingen tussen oost en west.
Het essay gaat vergezeld van twee afbeeldingen waarin Rusland wordt gekenschetst als een beer die zijn klauwen scherpt. Van der Heijden geeft aan dat dit Ruslandbeeld ingegeven wordt door westerse propaganda en Russische bluf. Het land heeft maar twee oorlogen gewonnen en dat waren verdedigingsoorlogen, geen agressie-oorlogen. Maar we hebben een boeman nodig en creëren het beeld van een beer. Een beer op lemen voeten met een dompteur die precies weet hoe de beer te leiden.

Nog geen reacties op dit bericht

Blijven

Ik vind het niet erg om oud te worden. In feite vind ik dat ik dat al ben. 70, een nooit verwacht te halen respectabele leeftijd, zeker voor iemand die er van overtuigd leek de 30 niet te halen. Ik weet niet waar die gedachte vandaan kwam. Die was er gewoon. Een eigen autonome gedachte, niet te herleiden waar zijn gronden lagen. Misschien dat ik tamelijk jong mijn vader verloor? Ik was 22 toen hij, 76 jaar oud stierf. De eerste in een lange reeks familieleden. Ik was een nakomertje en zo zag ik met enige regelmaat ouders, broers en zussen, zwagers en schoonzussen doodgaan. Ik heb wat bidprentjes geschreven en zo werd de dood een kameraad waaraan ik dagelijks dacht en denk. En nu zijn er geen gezinsleden meer, een schoonzus nog, die daar steeds minder weet van heeft.
Oud worden, oud zijn. Dat manifesteert zich vooral in een lijf dat niet meer kan wat ik wil. Dat strammer wordt, minder beweeglijk en zienderogen slechter functioneert. Ik loop als de oude man die ik ook ben en fietsen wordt een opgave omdat ik mij onzekerder voel dan nodig is. Maar als ik naar Oortjeshekken fiets is het of de dijk smaller is geworden en de tegemoetkomende auto’s breder. Onzin natuurlijk, maar toch voelt het zo. Het brein dat op zich nog uitstekend functioneert, plant een beetje overbodige angst in mij. Angst die van het fietsen een krampachtige activiteit maakt. Ontspannen, geef ik mijzelf als opdracht. Maar de opdracht is makkelijker gegeven dan uitgevoerd. Ook dat hoort bij ouder worden. De grenzen worden wat strakker getrokken, de grenzen tussen willen en kunnen. Nu is het meer een zaak van wat ik niet meer kan ook niet meer te willen. Vrede te hebben met de beperking, maar tegelijk ook weten niet te veel toe te geven aan de lethargie Te blijven lopen, te blijven bewegen, te blijven.

Nog geen reacties op dit bericht

Burendag

Vandaag is het burendag. Ik heb geen flauw idee wie die dag ooit heeft ingesteld. Gezien de reclames op tv vermoed ik dat een koffiebrander wel eens aan de wieg ervan heeft gestaan of uit commerciële overwegingen zijn naam er aan heeft verbonden. Ik tik bij Google ‘burendag’ in en zie dat ook het Oranjefonds een van de founding fathers is. Het blijkt dat je bij dat fonds een bijdrage voor de viering van burendag kunt vragen van €450, maar dat de pot voor dit jaar al heel lang leeg was.
Onze straat, die zo klein is dat we bijna allemaal buren zijn, heeft deze dag geen extra activiteiten geprogrammeerd. De vraag is ook nog hoe lang de bewoners van ons straatje zich allemaal buren zullen voelen. Een fiks deel van de woningen is al verkamerd en wordt bevolkt door studenten die toch een doorgaans ander levensritme hebben en zich nauwelijks op de straat betrokken voelen. Ook worden er panden opgekocht en vertimmerd tot mini-appartementen waar je je kont nauwelijks kunt keren en maar een relatief  korte bewoningsduur kennen. Van die passanten ken ik de naam niet en herken ze ook niet op straat. Natuurlijk is er nog een harde kern straatbewoners die al lang, een enkeling al levenslang, in de straat woont. Goede buren. Op 11 september schreef ik over een vroegere buurman die zijn dochters eens liet zien waar ze hun leven waren begonnen. Negen jaar geleden verhuisden ze. Deze week lag er een kaartje in de bus waarop de jongste dochter van elf jaar Gade en mij liet weten dat ze het erg leuk gevonden had om even bij ons op bezoek te komen: “ik vond het super leuk bij jullie, ook al herkende ik alleen het haar van Connie.
Buren van vroeger. Misschien is het een idee om ook een ‘vroegere burendag’ te organiseren. Oude banden aan te halen en er achter te komen dat vroeger alles beter was?

1 reactie op dit bericht

Gastdocent

Een paar dagen geleden schreef ik dat ik uitgenodigd was om mijn ervaringen met oud worden en oud zijn te delen met een groep VMBO-3 en een groep van niveau 4. Ooit willen deze jongens en meisjes gaan werken in de ouderenzorg, als die zorg tenminste nog niet helemaal wegbezuinigd is. En die kant lijkt het, ondanks een positieve troonrede en een glunderende minister-president, toch wel op te gaan. Dus mogelijk spreek ik voor een rij gekwalificeerde maar straks werkloze ouderverzorgers. Beide groepen zijn eerstejaars, net op school. Ik meld mij keurig op tijd bij de slagboom voor het parkeerterrein. Mijn naam is bekend en de slagboom gaat omhoog. Ik parkeer mijn auto in een zee van scooters. Bij de balie wacht de docente. Ik was nog nooit in dit gebouw geweest met zijn immense afmetingen. Een dorp in de stad met allerlei winkeltjes als leerbedrijf en veel glazen wanden waarachter ik leerling bakkers en aspirant koks zie proberen het vak onder de knie te krijgen. Er volgt een dooltocht door het gebouw naar het klaslokaal waar in een keurige kring 28 paar verwachtingsvolle ogen mij aankijken. Ik schrijf het woord ‘OUD’ op het bord en vraag hen daarmee te associëren. En ik noteer: rimpels, grijs, dement, gebrekkig, eigenwijs, dood, verveling. En nog zo wat van die begrippen. Een voor een neem ik ze met hen door, geef mijn commentaar, vraag hen om verduidelijking en zie het wordt een gesprek. Ze luisteren geïnteresseerd, reageren alert, nemen hun eigen opa en oma als referentiepunt, maken aantekeningen. Ze hebben vragen voorbereid. Veel verschillende vagen. Van of ik getrouwd ben en kinderen  heb en of ik die nog wel eens zie, tot of ik in god geloof. Ze nemen mij serieus, zoals ik hen serieus neem.Dat betaalt zich uit in een twee keer drie kwartier boeiende middag.
Twee memorabele opmerkingen: “Vindt u het erg als ik u jij noem?” Een leerlinge die naast me zit merkt op dat ik nog geen pigmentvlekken in mijn gezicht heb. Als ik haar wijs op wat ongerechtigheden aan de andere kant van mijn gezicht, merkt ze op dat ze dan gelukkig aan de goede kant zit.
De middag is voorbij. Ik blaak van de energie en denk met zulke leerlingen is Nederland nog niet verloren. Ben benieuwd naar hun verslagen.

1 reactie op dit bericht

Perfect

Ik ben doorgaans zeer tevreden met mijn bestaan. De dagen rijen zich in een rustige reeks. Mijn leven kabbelt voort zonder echt saai te zijn, maar wereldschokkende dingen maak ik ook niet veel mee. Hoeft ook niet. Hoeveel echt spannende dingen maakt een mens nu in zijn leven mee. In mijn geval zijn die op minder dan de vingers van een hand te tellen. Misschien was het spannendste wel toen ik in Nicaragua optrad als verkiezingswaarnemer en even het idee had dat ik deel uitmaakte van de wereldgeschiedenis. Maar nu, meer dan 25 jaar later, valt dat ook allemaal weer mee en was het maar een rimpeltje in het bestaan. Maar het hoeft niet allemaal wereldschokkend te zijn om een perfecte dag op te leveren. Zo’n dag als gisteren die in al zijn facetten klopte.
Twee vrienden uit de zaterdagse koffieclub gingen trouwen. Maanden geleden al hadden ze mij gevraagd hun huwelijk te voltrekken. En alles klopte deze dag. De zon scheen naar behoren en zette het decor in een stralend septemberlicht. Het decor was een historisch kerkje midden in een groene polder en later voor het feestmaal een fraai buiten. De gasten zagen er stralend uit en de bruidegom was zoals het hoorde een beetje zenuwachtig. De bruid had alles tot drie cijfers achter de komma voorbereid en geregeld. Vroeg zelfs of ze mijn toespraak al voor het huwelijk kon lezen. Nee dus. En alles ging zoals gehoopt. Op de juiste tijd was er de ontroering, op de het juiste moment de lach. Het was een voorbeeldige huwelijkssluiting, een mooie aansluitende ceremonie, door Gade geleid zoals alleen zij dat kan. En er was champagne en klokkengelui. De bruid straalde in al haar schoonheid en de bruidegom sprak net als zij woorden van liefde en samen.
Bij het feestdiner de juiste toespraken, weer met en vleugje ontroering, maar ook een bevrijdende lach. En er werd gedanst.
Aan het eind van de middag vertrok het bruidspaar. Met de koffieclub zaten wij nog even bij elkaar, keken elkaar aan en wisten zonder het te zeggen dat het een perfecte dag was.

1 reactie op dit bericht

Proefkonijn

Vandaag zal ik een onderwerp van studie zijn. Ik zal gast zijn in een klas van het ROC. Een klas van 15-16 jarigen die mogelijk iets willen gaan doen in de ouderenzorg. Ik ben uitgenodigd door hun docente die bij mij in de straat woont. Een paar weken geleden kwamen we, ik weet niet meer hoe, aan de praat over oud zijn en vertelde ze dat ze daar in een klas van haar mee bezig was. Grappenderwijs bood ik mij als ervaringsdeskundige aan en zij ging serieus op het aanbod  in. Ik weet niet wat ik moet verwachten en ga er dan ook maar tamelijk blanco in. Als het goed is hebben ze wat vragen voor mij voorbereid. Ik van mijn kant ben benieuwd hoe zij tegen oud worden en vooral tegen oude mensen aankijken. De docente heeft mij gewaarschuwd dat de de spanningsboog van haar groep tamelijk gering is en elke gelegenheid wordt aangegrepen om de concentratie een fikse deuk te geven.
Vijftien, zestien jaar en dan nadenken over oud worden en oud zijn.Op die leeftijd heb je wel wat beters te doen, maar als je later je beroep wilt zoeken in de ouderenzorg is het toch goed daar toch even bij stil te staan.
Ik kan me van geen kanten meer herinneren of ik zelf op die leeftijd ooit druk ben geweest met het nadenken over oud zijn. Oud dat was toen iedereen boven de dertig, zoals nu iedereen onder de dertig voor mij nog een kind is. En nu vind ik het prima oud te zijn. Natuurlijk, het lijf laat het wat afweten, heeft zijn grenzen bereikt. Maar je bent tenslotte meer dan je lijf alleen. Mijn geest kan zich nog meten met elke leeftijd. Lijkt of die niet ouder wordt. Maar misschien ben ik de enige die dat denkt en zijn er ook daar onontkoombare aftakelingsverschijnselen. Ben benieuwd naar de feedback die ik mogelijk vanmiddag krijg als oude man. De oude man als proefkonijn. Mogelijk hoort u er nog van.

Nog geen reacties op dit bericht

Vluchteling

Vluchtelingen zijn een ver-van-mijn-bed-show. Ik zal het maar eerlijk toegeven. Natuurlijk lees ik ook de krant, zie ik beelden op tv, maar in mijn persoonlijke leven heb ik er niets tot weinig mee van doen of mee gedaan. Ik heb niet, zoals mijn buren, vluchtelingen die in het tijdelijke opvangkamp Heumensoord zaten, op het eten gevraagd, ben niet op die manier met hen in gesprek gegaan. Heb hooguit een paar tientjes gestort op een girorekening, die daarvoor  werd opengesteld, maar zelfs dat weet ik niet meer zeker. Het was of de vluchteling voor mij aan de andere kant van de grens bleef. In mijn eigen leefomgeving is de vluchteling een figurant, ik zie hem in kleine groepjes bij de Albert Heijn rond scharrelen met plastic tasjes, maar ik heb niets met hem van doen. Hooguit heb ik met hem te doen en soms besef ik dan hoe goed ik het heb, van net na de oorlog ben en al mijn 70 jaar in vrede en rust oud heb kunnen worden. Nergens voor op de vlucht heb moeten slaan, omdat het waar ik was het goed en veilig toeven is. Ik ben een geluksvogel.
Zondagmiddag. Ik zit aan de rand van de woestijn. Zo heet met een te groot woord de zandvlakte midden in het Museumpark Oriëntalis. De club van Gade heeft een manifestatie ingericht. Een breed scala van activiteiten over vluchtelingen, maar vooral met vluchtelingen. Even niet alleen maar vluchteling, maar kok, muzikant, schrijver, kunstenaar, amateur toneelspeler. Literatuur, culinair, theater op diverse plaatsen in het park.
De vlakte is nog leeg. Snerpende gitaar. Uit de bosrand komt een figuur, zoekend struikelend. En dan komen er meer, en meer en meer. Met een stok schrijven ze in het zand, perken hun eigen plekje af en toch weer niet. Vluchtelingen en Nederlanders. Ze stellen elkaar vragen, triviale vragen, diepgaande vragen. Elk in zijn eigen taal en ze antwoorden elkaar eerlijk en oprecht. Een enkele keer willen ze geen antwoord geven. De herinnering is te schrijnend. Een theatrale verbeelding van de vluchteling. Het raakt me meer dan een krantenbericht, een tv-reportage. Kunst, zelfs in zijn simpelste vorm, kan veel duidelijk maken.

Nog geen reacties op dit bericht

Bank

Een paar jaar geleden kochten wij een bank, een tweezitsbank, die ook nog was om te toveren in een eenpersoonsbed. Het bankje kreeg een plaats voor de tv, maar het zitcomfort van het bankje sloot toch eigenlijk niet aan bij onze wensen en verwachtingen. Dat zeiden we de afgelopen jaren geregeld tegen elkaar als wij , beantwoordend aan het clichébeeld van een echtpaar op leeftijd, samen op de bank zaten te kijken naar Mr. Selfridge of De Brug. Maar het duurt dan toch enige tijd voor je echt besluit op zoek te gaan naar een ander zitmeubel. Een paar maanden geleden gingen we op expeditie en kochten een fraaie bank. Levertijd drie maanden. Van de week opgebeld. De bank was binnen, of ze konden komen afleveren. Vrijdag tussen 12 en 2. Een voor ons doodlopend eenrichtingstraatje veel te grote vrachtauto manoeuvreert zich tot pal voor onze voordeur. Twee mannen stappen uit en monsteren mijn gang. Ik vraag of dat allemaal gaat passen. “Dat moet gemakkelijk lukken”, verzekert mij een van de twee. Met achteloos gemak tillen ze de bank uit de auto. Fluitje van en cent lijkt het, totdat blijkt dat de meterkast een naadloze doorgang in de weg staat. De bank wordt weer in de auto gezet. Even nadenken. Onder de meterkast langs lijkt de oplossing. Bank weer uit de auto, maar dan blijkt dat de deur eigenlijk net niet ver genoeg open kan. Een pootje van de bank weigert zich te schikken en geen centimeter mee te geven. Tsja, de bank verdwijnt weer in de auto en de doorgang wordt aan een nadere inspectie onderworpen. Ooit, om te verhinderen dat de voordeur hard tegen de gangmuur zou slaan, heb ik op de plint een deurstopper geschroefd. Een losse rubber hoes over een brede schroef. Een van de bezorgers verwijdert de losse hoes en ziet, de deur kan net genoeg iets verder open. Met aan iedere kant een speling van 1 centimeter past de bank net door de deur.
’s Avonds kijkt de door ons opgenomen Mr. Selfridge aangenamer dan ooit tevoren.

Nog geen reacties op dit bericht

Leeslijst

Ik mocht weer een column spreken in het Geschiedeniscafé. Een van de onderwerp van het café was dit keer het verzoek aan een van de samenstellers van het boek ‘De Leeslijst’ om de vijf beste ‘Nijmeegse’ boeken te benoemen. De Leeslijst is een boek met 222 titels waarvan de samenstellers het onontkoombare literatuur vinden. De inleider waagde zich niet aan een lijstje, want wanneer is een boek Nijmeegs? De stad als decor, de schrijver is hier geboren, heeft hier gewoond? Criteria te over.
Ik zei in mijn column over De Leeslijst en ‘Nijmeegse’ boeken het volgende: “…Wel wil ik het over De Leeslijst hebben. Ik kreeg Nederlands van een gedegen leraar, waarvan ik mij niet herinner dat hij veel met literatuuronderricht bezig was. De liefde tot het zelf geschreven woord heeft hij me wel bijgebracht. Talloos waren zijn opdrachten een opstel te schrijven en dat niet allen als huiswerk, maar ook als opdracht in de klas. Dat ontsloeg hem van het geven van een les en schiep de mogelijkheid een sigaretje rokend als surveillant op te treden. Dat ging hem beduidend beter af dan het docentschap.
De leeslijst begint bij de Wachtendonckse psalmen en eindigt bij De Leeslijst zelf. Een fiks aantal van de 222 heb ik gelezen, een fikser aantal niet. En eerlijk is eerlijk, sommige titels zeiden me niets, de schrijvers evenmin. Straks gaat professor Joosten het hebben over de beste vijf Nijmeegse boeken aller tijden. Ben benieuwd en vraag me af wanneer hij vindt dat een boek Nijmeegs genoemd mag worden. Hoor ik zo dadelijk dat de Ochtendgave op het lijstje van vijf staat of iets van Verbogt erop voorkomt. Maar dat kan niet want die hebben De Leeslijst niet eens gehaald. Ach, elk lijstje is arbitrair en aanleiding voor een gedegen pennenstrijd.
Ik mis in de Leeslijst een boekje. De voortreffelijke vertaling (of mogen die niet meedoen) van Opa en Oma Pluis in het Nimweegs. Ik reken op een losbladig addendum in De Leeslijst.”

Nog geen reacties op dit bericht

Bril

Al sinds jaar en dag heb ik een bril voor in de verte en bij het tv-kijken. Ooit kwam ik erachter dat mijn zicht wat achteruit ging. Dat merkte ik doordat ik de letters bij de ondertiteling op tv maar wat wazig vond. Geen mooie strakke letter, maar het werden letters met een rafelrandje. Toen ik mij hardop afvroeg waarom deze lay-out wijziging nodig was, antwoordde mijn toenmalige echtgenote dat die lettertjes er nog net zo strak uitzagen als zij altijd al gedaan hadden. Als ik mijn ogen wat dichtkneep verdwenen de ribbelrandjes ook. Het werd tijd voor een bril. En zo draag ik sinds die tijd geregeld een bril die ik bij het lezen altijd af zette. In de loop der jaren passeerden vele modellen, maar nu zweer ik al jaren bij een zo goed als montuurloos montuur.
Sinds een paar jaar moet ik geregeld mijn ogen laten controleren. Mijn diabetes kan een funeste invloed hebben op mijn gezichtsvermogen. Ooit leek dat het geval toen er in mijn oog een ongerechtigheid ontdekt leek te worden. Even werd zelfs het woord kanker gefluisterd, maar het bleek loos alarm. Een klein litteken van een mogelijke ontsteking ooit was de boosdoener en zorgt er ook nu nog dat ik met mijn linkeroog een rechte lijn altijd met een klein bubbeltje ziet. Het rechteroog compenseert dat euvel volledig.
Gisteren was ik weer op controle. Terwijl ik in de wachtkamer van oogheelkunde zit wordt ik gebeld door de nefrologe waar ik twee dagen eerder op consult was. Zij vertelt mij dat na overleg met mijn cardioloog de medicatie wordt aangepast. Ik kan die wijziging gelijk doorgeven aan de optometrist die naar mijn medicijngebruik vraagt. Hij meet ook mijn ogen door en wat ik al een tijd vermoedde, bevestigt hij. Ik zie in de verte zonder bril beter dan met bril. Zijn advies is mijn bril af te laten. Als ook de oogarts mij diep in de ogen heeft gekeken en constateert dat alles nog okay is, verlaat ik opgelucht het ziekenhuis. Eindelijk eens een keer iets aan mijn lijf dat niet slechter ,ja zelfs beter is geworden.
“Jammer” zegt Gade, “Een bril stond je altijd zo goed.” Tot haar troost draag ik nog geregeld een leesbril.

Nog geen reacties op dit bericht