Gelijkenis

Ik sta minimaal twee keer per dag voor de spiegel. Bij het ochtendritueel en het avondritueel. Scherend of tandenpoetsend. De meeste keren kijk ik achteloos langs mij zelf heen, in gedachten elders. Ik kijk, maar zie eigenlijk niets. Soms zie ik mezelf wel staan, maar herken me nauwelijks. Ik weet dat ik het moet zijn. Het spiegelbeeld geeft mij terug zoals ik er uitzie, maar toch is het of ik in de ogen van een vreemde kijk. Ogen die weliswaar net zo blauw zijn al die van mij, maar toch van een ander lijken te zijn. De neus, de mond, mijn snor en sikje, zo komen me allemaal bekend voor, maar het is toch of ik het niet ben. Het beeld dat ik van mezelf heb strookt niet met dat wat ik in de spiegel zie. In die spiegel zie ik een buitenkant, maar zie geen gevoelens, geen blijdschap, angst of verwachting. Ik zie een vorm, geen inhoud. Mijn spiegelbeeld zal vast uiterlijk wel op mij lijken, maar ik ben het niet. Het is zoals ik er uitzie, niet wat ik ben.
Laat duidelijk zijn, slechts af en toe bespringen mij deze gedachten als ik voor de spiegel mijn tanden sta te poetsen. Meestal staar ik in de verte of meer nog naar binnen, daar waar ik meer dan mijn spiegelbeeld ben. En als ik mij sta te scheren let ik in de spiegel vooral op het mes want voor je het weet loopt er een bloedige streep door je zelfbeeld.
Dat gevoel dat ik van tijd tot tijd voor de spiegel heb, komt ook terug als ik naar foto’s van vroeger van mezelf bekijk. Ik weet dat ik dat moet zijn, die jongeman, dat kind op die zwart-wit foto van destijds. En vaag herinner ik mij dan ook weer wat ik toen dacht te voelen. Maar zeker weten? Beeld en werkelijkheid, soms lijken ze op elkaar, maar even vaak verschillen ze hemelsbreed.

Nog geen reacties op dit bericht

Heeren

Ik ben sinds 1994 al lid van mijn mannenclub. Daar is in die club nog steeds veel over te doen, dat mannenclub zijn. Er is een stroming die vindt dat er ook vrouwen toegelaten zouden moeten worden. Ik behoor daar niet toe. Niet dat ik iets tegen vrouwen heb. Integendeel. Mijn beste vrienden zijn vrouw. Maar ik werd meer dan twintig jaar geleden lid van een mannenclub. Dat had en heeft zo zijn eigen charmes. Natuurlijk weet ik ook wel dat het haast een anachronisme is, een mannenclub. Het is haast niet meer van deze tijd waarin alles op de schop lijkt te gaan, alles wat maar een beetje neigt naar segregatie in een kwalijk daglicht komt te staan. Een tijd waarin Zwarte Piet gewoon Piet gaat heten en geen knecht meer mag zijn.Daar kan ik me heel wat bij denken. Van mij mag Zwarte Piet elke kleur hebben die maar denkbaar is, rood, groen, pimpelpaars met een blauw randje, ja zelfs wit. Maar welk verschil je ook weg wilt poetsen, er blijven mannen en vrouwen en dat ook in tientallen gradaties. Van macho naar watje, van manwijf naar doetje en alles daar tussen in en doorheen. En ondanks alles wat er tegen in gebracht kan worden vind ik dat er mannenclubs mogen blijven bestaan. Net zo goed als vrouwenclubs. In de sport is die scheiding nog steeds aanvaard. Mannen sporten met mannen, vrouwen met vrouwen, behalve dan bij korfballen en in tennis bij het gemengd dubbel. De uitzonderingen die de regel bevestigen. En bij het pupillenvoetbal dan? Die voetballen ook gemengd. Maar daar gaat het niet om mannen en vrouwen, maar om jongens en meisjes.
Ach misschien ben ik wel te veel behept met mijn opvoeding, mijn scholing. De kleuterschool was gemengd, maar daarna zat ik op een jongensschool, een HBS zonder meisjes en studeerde ik af bij de Katholiek Sociale Akademie voor Mannen.
Gisteren openden mijn mannenclub het seizoen met het traditionele Heerendiner. Met twee ee’s. Misschien wel net zo uit de tijd als het bestaan van een mannenclub.

Nog geen reacties op dit bericht

Ontgroening

De media staan vol van de incidenten die plaat gegrepen hebben bij de ontgroeningsrituelen van een Groningse studentenvereniging. Naast die ontgroeningspraktijken lijkt daar nog het een en ander aan de hand, maar ja, je wordt ook niet zomaar tot cultureel erfgoed bestempeld. Daar moet je wel wat voor doen. Spraakmakend en exclusief zijn. Dat is in dit geval aardig gelukt. En dat brengt mij terug naar mijn eigen groentijd. Wat zeg ik, groentijden. Ik ben twee keer ontgroend. De eerste keer toen ik aan de universiteit ging studeren. Nu is studeren een veel te groots woord voor de activiteiten die ik vanaf medio 1963 ontplooide. Ik sjeesde als de beste, maar frequenteerde wel de sociëteit nadat ik een fikse ontgroening had doorgemaakt. Kaal geschoren, kapotte colberts, urenlang domme liedjes zingen (Groen benne we groen, als groentesoep zo groen, nog groene dan de groenste soep is deze groene troep a.i.), invechten.  Ik heb er niets aan overgehouden. Ook geen vrienden, want daarvoor was mijn corporale carrière te kort. Die sneefde na een paar maanden. Een 17-jarige in een lustrumjaar, dat was me te veel. Bier drinken mocht toen nog op die leeftijd en dat ging mij beter af dan het volgen van de colleges sociale geografie, waar ik minder vaak te vinden was dan op de dispuutsavonden.
Na een jaar naar de Sociale Akademie. Weer een ontgroening voor de studentenvereniging daar. Veel minder cultureel erfgoed, maar wel veel speelser. En in de jaren daarna lid geweest van de groencommissie, die verantwoordelijk was voor een ludieke introductie in het studentenleven, wat in die tijd nog veel meer een leerlingenleven was met klassikaal onderricht.  De studentenvereniging organiseerde bals en lezingen en hield met enige regelmaat rumoerige ledenvergaderingen, die ik ook een jaar mocht presidiëren. Van incidenten was geen sprake. Evenmin van erfgoed. Wel werd een hechte band gesmeed en nu nog komt van tijd tot tijd de klas van 1968 weer bij elkaar. Maar of dat door de ontgroening kwam?

Nog geen reacties op dit bericht

Ontdekking

Ik ben zo vrij mij een tamelijk belezen iemand te noemen. In mijn boekenkast is het een allegaartje van schrijvers en de laatste jaren is het zo dat heel veel boeken niet meer in mijn boekenkast belanden. Her en der in mijn huis verschijnen stapeltjes van recent gelezen boeken. En even vaak gebeurt het dat een gelezen boek wordt uitgeleend en niet meer terug gekregen. Hindert niet, ik herlees boeken niet of nauwelijks. Er is maar een boek dat ik twee keer gelezen heb. ‘Het grote avontuur’, een wat vreemde titelvertaling van ‘Le grand Meaulnes’ van Alain-Fournier.
Wat las en lees ik zoal? Van der Heijden, Verbogt, Siebelink, Wieringa, Rosenboom, Voskuil, Op de Beeck. Schrijvers van wie ik zo niet alles, maar dan toch we veel heb gelezen. En die worden dan geregeld afgewisseld met eenlingen, mij vaak door Gade gesuggereerd. Veel Nederlands dus, vooral Nederlands. Van de buitenlanders noem ik Amos Oz en Ian McEwan. Al met al toch een imposante verzameling.
Op de een of andere manier, zou niet meer weten hoe, is er een boekje in ons huis gekomen van een mij tot nu toen ongelezen schrijfster. Mogelijk ik heb ik het voor een verjaardag gekregen, mogelijk was het een cadeautje voor Gade, maar opeens was het boekje er: ‘De twee rivieren’ van Inez van Dullemen. Zij heeft een lange lijst van boeken op haar naam staan die mij allemaal, -schande-, ontgaan zijn. En nu maak ik kennis met haar in de aantekeningen die zij in dit boekje verzameld heeft. In een lichtvoetige stijl trippelt zij van het ene onderwerp naar het andere. Helder en transparant zijn haar korte en iets langere waarnemingen, gelaten terug kijkend op wat was en niet meer komen zal.
Als ik haar lees, wens ik zo te kunnen schrijven. Zo beeldend.
‘De twee rivieren’ is het eerste boek dat ik van haar lees, maar niet het laatste.

Nog geen reacties op dit bericht

W

Dit stukje heet zo omdat zij zei: “Doe je dat echt, dan zal ik het zeker lezen”, toen ik haar vertelde dat ik vandaag nog een stukje moest schrijven en dat wel W wilde noemen. In het echt had ik het over haar hele naam, maar omdat ik altijd probeer te anonimiseren is het W geworden. Bovendien zijn dit soort stukje een afspiegeling van de werkelijkheid. Veel van wat ik beschrijf, lijkt op de realiteit. Soms is het zelfs de wekelijkheid, op het oog een op een, maar altijd is het een beschrijving van de werkelijkheid en de beschrijving ≠ werkelijkheid.
Ik was even de plaatselijke boekhandel binnen gelopen om te horen hoe het stond met de verkoop van ‘Opao en Opoe Pluus’. Al drie weken staat mijn hertaling van dit Nijntjes-boekje op nummer 1 in de verkoopcijfers bij deze boekhandel. Meer dan 750 exemplaren zijn er al verkocht. Een zoon van een van de boekverkopers werkt in China. Volgende week zal zijn vader hem daar bezoeken. De boekverkoper vraagt of ik een opdracht in een boekje wil zetten. Natuurlijk. En zo gaat mijn Nimweegse Nijntje op reis naar China.
Dat succes moet gevierd worden en ik trakteer mij op een kop cappuccino en de krant. De juffrouw van de koffiehoek feliciteert mij met de verkoopcijfers. “Ja, mooi”antwoord ik, want mooi is het. Ik sla de krant open en lees daar in chocolade letters: “Tbs met dwang geëist tegen Jan R.” en verderop in het artikel: “Jan R. werd vanochtend geboeid de rechtbank ingebracht en blijft ook geboeid tijdens de zitting.” Het is vreemd je zelf dan zo maar onverwacht als psychotische lustmoordenaar in de krant tegen te komen. Natuurlijk heb ik alleen dat geciteerd wat direct naar mij verwijst. Voornaam en initiaal. Je moet de waarheid toch een beetje naar je hand zetten. En wat is de waarheid? Die lijkt soms op de werkelijkheid, maar even vaak ook niet. Jan Brokken zei al ooit: “De waarheid is nog een verhaal.”
In dit verhaaltje Jan R. en W. samengebracht. Mijn eigen gecreëerde werkelijkheid ver van de waarheid. Is de titel van dit stukje toch meervoudig uit te leggen. De W ook van waarheid en werkelijkheid.

Nog geen reacties op dit bericht

Boeman

We, jij en ik, de mensen hebben kennelijk een boeman nodig. Iemand die we tot vijand kunnen verklaren, waar we bang voor zijn, zonder er al te veel van te weten. Kampioen boeman is al sinds jaar en dag Rusland, dat enge verre land dat destijds veilig opgeborgen leek achter een stevig ijzeren gordijn, een gordijn waarvan nu alom betreurd wordt dat het open geschoven is.
Ook ik ben met dat beeld van een monstrueus Rusland groot geworden. Mijn vader bad toen ik klein was bij het naar bed gaan voor mij altijd het volgende gebedje: “Kindje Jezus klein, houdt toch Jantjes hartje rein, laat toch nimmer toe, dat hij zonde doet. Alles uit liefde voor Jezus en Maria. Jezus redt Rusland, Jezus redt Rusland, Jezus redt Rusland.” Elke avond maar liefst drie keer die bede om Rusland te redden. Waarvan? Even leek Rusland gered. Vriendschapsverdragen werden op elk niveau gesloten en het vijanddenken ging de  koelkast in. Daar leek voldoende ruimte nu de koude oorlog  aan ontdooien toe was. Maar inmiddels is het vijanddenken weer opgepoetst en de koude-oorlogthermostaat weer op de stand verkilling gedraaid. Rusland is weer de boeman die beticht wordt van een expansiedrift waar de USA nog een puntje aan kan zuigen.
In De Groene Amsterdammer van 15 september lees ik een essay van Chris van der Heijden die kort en krachtig een verklaring geeft van onze Rusland-angst. Die wordt ingegeven door een aan tsaar Peter de Grote toegeschreven maar vervalst testament waarin deze stelt dat “al het mogelijke, via kracht of list, gedaan moet worden om de chaos van Europa te bevorderen.” En op die vervalste regel baseren velen hun angst voor Rusland en rechtvaardigen zij hun opvattingen over de verhoudingen tussen oost en west.
Het essay gaat vergezeld van twee afbeeldingen waarin Rusland wordt gekenschetst als een beer die zijn klauwen scherpt. Van der Heijden geeft aan dat dit Ruslandbeeld ingegeven wordt door westerse propaganda en Russische bluf. Het land heeft maar twee oorlogen gewonnen en dat waren verdedigingsoorlogen, geen agressie-oorlogen. Maar we hebben een boeman nodig en creëren het beeld van een beer. Een beer op lemen voeten met een dompteur die precies weet hoe de beer te leiden.

Nog geen reacties op dit bericht

Blijven

Ik vind het niet erg om oud te worden. In feite vind ik dat ik dat al ben. 70, een nooit verwacht te halen respectabele leeftijd, zeker voor iemand die er van overtuigd leek de 30 niet te halen. Ik weet niet waar die gedachte vandaan kwam. Die was er gewoon. Een eigen autonome gedachte, niet te herleiden waar zijn gronden lagen. Misschien dat ik tamelijk jong mijn vader verloor? Ik was 22 toen hij, 76 jaar oud stierf. De eerste in een lange reeks familieleden. Ik was een nakomertje en zo zag ik met enige regelmaat ouders, broers en zussen, zwagers en schoonzussen doodgaan. Ik heb wat bidprentjes geschreven en zo werd de dood een kameraad waaraan ik dagelijks dacht en denk. En nu zijn er geen gezinsleden meer, een schoonzus nog, die daar steeds minder weet van heeft.
Oud worden, oud zijn. Dat manifesteert zich vooral in een lijf dat niet meer kan wat ik wil. Dat strammer wordt, minder beweeglijk en zienderogen slechter functioneert. Ik loop als de oude man die ik ook ben en fietsen wordt een opgave omdat ik mij onzekerder voel dan nodig is. Maar als ik naar Oortjeshekken fiets is het of de dijk smaller is geworden en de tegemoetkomende auto’s breder. Onzin natuurlijk, maar toch voelt het zo. Het brein dat op zich nog uitstekend functioneert, plant een beetje overbodige angst in mij. Angst die van het fietsen een krampachtige activiteit maakt. Ontspannen, geef ik mijzelf als opdracht. Maar de opdracht is makkelijker gegeven dan uitgevoerd. Ook dat hoort bij ouder worden. De grenzen worden wat strakker getrokken, de grenzen tussen willen en kunnen. Nu is het meer een zaak van wat ik niet meer kan ook niet meer te willen. Vrede te hebben met de beperking, maar tegelijk ook weten niet te veel toe te geven aan de lethargie Te blijven lopen, te blijven bewegen, te blijven.

Nog geen reacties op dit bericht

Burendag

Vandaag is het burendag. Ik heb geen flauw idee wie die dag ooit heeft ingesteld. Gezien de reclames op tv vermoed ik dat een koffiebrander wel eens aan de wieg ervan heeft gestaan of uit commerciële overwegingen zijn naam er aan heeft verbonden. Ik tik bij Google ‘burendag’ in en zie dat ook het Oranjefonds een van de founding fathers is. Het blijkt dat je bij dat fonds een bijdrage voor de viering van burendag kunt vragen van €450, maar dat de pot voor dit jaar al heel lang leeg was.
Onze straat, die zo klein is dat we bijna allemaal buren zijn, heeft deze dag geen extra activiteiten geprogrammeerd. De vraag is ook nog hoe lang de bewoners van ons straatje zich allemaal buren zullen voelen. Een fiks deel van de woningen is al verkamerd en wordt bevolkt door studenten die toch een doorgaans ander levensritme hebben en zich nauwelijks op de straat betrokken voelen. Ook worden er panden opgekocht en vertimmerd tot mini-appartementen waar je je kont nauwelijks kunt keren en maar een relatief  korte bewoningsduur kennen. Van die passanten ken ik de naam niet en herken ze ook niet op straat. Natuurlijk is er nog een harde kern straatbewoners die al lang, een enkeling al levenslang, in de straat woont. Goede buren. Op 11 september schreef ik over een vroegere buurman die zijn dochters eens liet zien waar ze hun leven waren begonnen. Negen jaar geleden verhuisden ze. Deze week lag er een kaartje in de bus waarop de jongste dochter van elf jaar Gade en mij liet weten dat ze het erg leuk gevonden had om even bij ons op bezoek te komen: “ik vond het super leuk bij jullie, ook al herkende ik alleen het haar van Connie.
Buren van vroeger. Misschien is het een idee om ook een ‘vroegere burendag’ te organiseren. Oude banden aan te halen en er achter te komen dat vroeger alles beter was?

1 reactie op dit bericht

Gastdocent

Een paar dagen geleden schreef ik dat ik uitgenodigd was om mijn ervaringen met oud worden en oud zijn te delen met een groep VMBO-3 en een groep van niveau 4. Ooit willen deze jongens en meisjes gaan werken in de ouderenzorg, als die zorg tenminste nog niet helemaal wegbezuinigd is. En die kant lijkt het, ondanks een positieve troonrede en een glunderende minister-president, toch wel op te gaan. Dus mogelijk spreek ik voor een rij gekwalificeerde maar straks werkloze ouderverzorgers. Beide groepen zijn eerstejaars, net op school. Ik meld mij keurig op tijd bij de slagboom voor het parkeerterrein. Mijn naam is bekend en de slagboom gaat omhoog. Ik parkeer mijn auto in een zee van scooters. Bij de balie wacht de docente. Ik was nog nooit in dit gebouw geweest met zijn immense afmetingen. Een dorp in de stad met allerlei winkeltjes als leerbedrijf en veel glazen wanden waarachter ik leerling bakkers en aspirant koks zie proberen het vak onder de knie te krijgen. Er volgt een dooltocht door het gebouw naar het klaslokaal waar in een keurige kring 28 paar verwachtingsvolle ogen mij aankijken. Ik schrijf het woord ‘OUD’ op het bord en vraag hen daarmee te associëren. En ik noteer: rimpels, grijs, dement, gebrekkig, eigenwijs, dood, verveling. En nog zo wat van die begrippen. Een voor een neem ik ze met hen door, geef mijn commentaar, vraag hen om verduidelijking en zie het wordt een gesprek. Ze luisteren geïnteresseerd, reageren alert, nemen hun eigen opa en oma als referentiepunt, maken aantekeningen. Ze hebben vragen voorbereid. Veel verschillende vagen. Van of ik getrouwd ben en kinderen  heb en of ik die nog wel eens zie, tot of ik in god geloof. Ze nemen mij serieus, zoals ik hen serieus neem.Dat betaalt zich uit in een twee keer drie kwartier boeiende middag.
Twee memorabele opmerkingen: “Vindt u het erg als ik u jij noem?” Een leerlinge die naast me zit merkt op dat ik nog geen pigmentvlekken in mijn gezicht heb. Als ik haar wijs op wat ongerechtigheden aan de andere kant van mijn gezicht, merkt ze op dat ze dan gelukkig aan de goede kant zit.
De middag is voorbij. Ik blaak van de energie en denk met zulke leerlingen is Nederland nog niet verloren. Ben benieuwd naar hun verslagen.

1 reactie op dit bericht

Perfect

Ik ben doorgaans zeer tevreden met mijn bestaan. De dagen rijen zich in een rustige reeks. Mijn leven kabbelt voort zonder echt saai te zijn, maar wereldschokkende dingen maak ik ook niet veel mee. Hoeft ook niet. Hoeveel echt spannende dingen maakt een mens nu in zijn leven mee. In mijn geval zijn die op minder dan de vingers van een hand te tellen. Misschien was het spannendste wel toen ik in Nicaragua optrad als verkiezingswaarnemer en even het idee had dat ik deel uitmaakte van de wereldgeschiedenis. Maar nu, meer dan 25 jaar later, valt dat ook allemaal weer mee en was het maar een rimpeltje in het bestaan. Maar het hoeft niet allemaal wereldschokkend te zijn om een perfecte dag op te leveren. Zo’n dag als gisteren die in al zijn facetten klopte.
Twee vrienden uit de zaterdagse koffieclub gingen trouwen. Maanden geleden al hadden ze mij gevraagd hun huwelijk te voltrekken. En alles klopte deze dag. De zon scheen naar behoren en zette het decor in een stralend septemberlicht. Het decor was een historisch kerkje midden in een groene polder en later voor het feestmaal een fraai buiten. De gasten zagen er stralend uit en de bruidegom was zoals het hoorde een beetje zenuwachtig. De bruid had alles tot drie cijfers achter de komma voorbereid en geregeld. Vroeg zelfs of ze mijn toespraak al voor het huwelijk kon lezen. Nee dus. En alles ging zoals gehoopt. Op de juiste tijd was er de ontroering, op de het juiste moment de lach. Het was een voorbeeldige huwelijkssluiting, een mooie aansluitende ceremonie, door Gade geleid zoals alleen zij dat kan. En er was champagne en klokkengelui. De bruid straalde in al haar schoonheid en de bruidegom sprak net als zij woorden van liefde en samen.
Bij het feestdiner de juiste toespraken, weer met en vleugje ontroering, maar ook een bevrijdende lach. En er werd gedanst.
Aan het eind van de middag vertrok het bruidspaar. Met de koffieclub zaten wij nog even bij elkaar, keken elkaar aan en wisten zonder het te zeggen dat het een perfecte dag was.

1 reactie op dit bericht