ZZZoem

Als ik weer in mijn eigen bed kruip na ruim veertien dagen Frankrijk is het nog steeds of er beweging in mijn lijf zit. Gisterochtend zijn we iets naar achten weggereden. Tomtom vertelt dat we bijna 1.100 kilometer voor de boeg hebben. Vreemde uitdrukking, want we gaan met de auto, maar ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat ie nog heel wat kilometers voor de motorkap heeft. Nee, voor de boeg, dat klinkt romantischer. Ik zing dan ook luidkeels mee met Danny de Munck als hij het heeft over vrij zijn en met de wind in mijn haren over alle zeeën varen. Uit Ciske de musical, mijn favoriete cd’tje op lange ritten.
Gade en ik rijden om beurten, Wie rijdt, bepaalt wat er gedraaid wordt. En dat varieert van Aangenaam Klassiek tot musical en niets. Het enige wat je dan hoort is het gedreun van de motor. Het navrante van dat geluid valt je pas op als je even je rust na twee uur neemt. Als het geluid er niet meer is.  Na een uur of twee is het wisselen van plaats. Ook daar zijn we consequent in. Op de stops eten we iets lichts en drinken wat. Voor we vertrokken wisten weg nog niet of we het een een keer zouden rijden, of misschien toch een tussenstop maken. We laten het afhangen van Parijs. Of we daar snel langs komen. We hebben er wel eens uren in een file gestaan, maar nu zijn we van Orly tot Charles de Gaulle in net drie kwartier er langs. We besluiten door te rijden. Nog zo’n vreemde uitdrukking: je paard ruikt de stal. Maar nogmaals we rijden per auto en ik heb niet het idee dat die enig besef heeft waar zin vaste parkeerplaats zich bevindt. Reizen is toch gekoppeld aan romantiek, schepen, paarden.
Iets over achten rijden we onze straat in. Twaalf uur onderweg geweest, iets meer dan 10 uur gereden. In bed ebt de beweging uit mijn lijf. In mijn hoofd zzzoemt het nog wat na.

1 reactie op dit bericht

U

Midden in de nacht zijn de eigenaars van ons vakantiehuis aangekomen. Om half een. Gade en ik hebben er niets van gehoord. De heldere lucht hier maakt je slaperig en dat niet alleen, de slaap is ook nog eens heel diep. Zij hebben het in een ruk gereden. Van Amsterdam naar hier. Voor hen ruim 1.100 kilometer in 15 uur, inclusief de nodige files. Wij vertrekken zaterdagochtend. Het plan is om 07.00 uur op te staan en om 08.00 uur te vertrekken. We hoeven niet in een keer terug te rijden. We laten het van onze stemming en vermoeidheid afhangen. We zijn de jongsten niet meer. Dat bleek wel toen we kennis maakten met de huiseigenaren van dit ruime onderkomen, dat eigenlijk een twee-onder-een-kapwoning is. Al bijna een have eeuw in familiebezit en ooit als een echte bouwval gekocht. Zonder water, zonder elektriciteit. Nu bijna 50 jaar verder een riant zomerhuis met twee gescheiden woongedeeltes. Als we die geschiedenis van het huis vernemen blijft de eigenaar mij bij de eerste kennismaking hardnekkig met ‘u ‘ aanspreken. Ook al hebben wij een paar keer gezegd dat we Jan heten en dat tutoyeren mag. Maar in zijn ogen ben ik natuurlijk gewoon een wat oudere man, zeg maar gerust een heer op leeftijd en geeft het hem geen pas mij met ‘jij’ aan te spreken. Ach ja, waarom ook niet. Leeftijd verdoezel je niet door je anders aan te laten spreken. Bovendien is het contact te kort en te vrijblijvendheid om met geweld op de vertrouwelijkheid van je en jij te insisteren. Later op de dag ben ik gelukkig geen meneer meer, maar gewoon jij. Wel zo prettig.
Ik moet denken aan een recente column van Marcel van Roosmalen in NRC-Next, over zijn docentschap aan de school voor creative writing van de Arnhemse kunstopleiding. Zijn leerlingen die volgens zijn beschrijving een zwaar therapeutisch proces doormaken en stuk voor stuk lijken uit te vallen, spreken hem tot zijn verbazing met ‘meneer’ aan. Natuurlijk denk ik. Gezien het leeftijdsverschil blijf je meneer en door een gebrek aan vertrouwen in je deskundigheid als docent zal dat niet gauw omslaan. Soms moet je je er maar bij neerleggen dat je voor sommige mensen ‘u’ blijft.

Nog geen reacties op dit bericht

Felix

Bij een beetje vakantiehuisje hoort ook een beetje huiskat. Op veel van onze vakanties kwam er wel een kat aanlopen die wij dan gedurende ons verblijf adopteerden. Als compensatie voor onze kat Thomas Oscar Maria, die wij het nooit hebben aangedaan om mee op vakantie te gaan. Dat is niks voor katten, althans niet voor onze Thomas, die te zeer aan zijn eigen omgeving gehecht is. Bovendien zorgden we er altijd voor dat bij langere vakanties er iemand thuis was, die niet alleen genoot van het genoeglijk onderkomen dat ons huis biedt, maar tevens zorgde voor het wel en wee van de kat door zijn vreten klaar te zetten en hem gezelschap te hoeden. De naam van mijn zoon kan daarvoor niet genoeg geprezen worden.
Hier in ons vakantiehuisje is geen kat komen aanlopen. Ja , ooit jaren geleden, maar nu beschouwt de kat ons meer als de partij die is komen aanlopen. Als er geen gasten zijn wordt hij een beetje in de gaten gehouden door Guilaine, de huisbewaarster die in het dorp woont. Van haar horen we ook het verhaal dat hij ooit langs is gekomen, nooit meer weggegaan en tussen de bedrijven door gecastreerd is. Dat laatste heeft zijn miauwbanden geen goed gedaan. Het is een enorm beest, maar het miauwtje dat er uit komt is van een abominabele kwaliteit. Hij opent wel zijn bek, maar wat hij dan voortbrengt is een armzalige gepiep, dat in geen verhouding staat tot de omvang van deze kat.
Van Guilaine weten we ook hoe hij heet. Felix, comme le pub. Hij lijkt inderdaad model gestaan te hebben voor de getekende kat in de reclamefilmpjes van dat merk kattenbrokken en kan net als zijn beroemde naamgenoot op aanstrelende wijze langs je benen dansen. Ik ben zijn beste vriend, want ik geef hem nu elke ochtend een paar scheppen hondenvoer uit een immens blik. Hondenvoer. Hij gaat er niet van blaffen en zijn gemiauw blijft deze vele kilo’s kat onwaardig.

Nog geen reacties op dit bericht

(Pr)ijs

We snoepen weinig tot niets deze vakantie. Dat is wel eens anders geweest. Dan was de gebruikelijke ochtendgang naar een nabij gelegen dorp, naar de bakker. Daar werden dan met zorg twee gebakjes door ons uitgekozen en door de verkoopster ingepakt. Om het doosje ging altijd een lintje, ook al zeiden we dat het voor bijna directe consumptie was op het terras van het belendende café. Maar dat maakte de bakkersvrouw niets uit. Zal wel te maken hebben gehad met de eer van het vak. Om een verpakking gebakjes hoort een lintje. Maar dat was jaren geleden en bovendien niet in de Dordogne, maar in de Vercors. Toen had ik nog het idee dat het lijf dat allemaal wel kon hebben en troostte ik me met de gedachte dat ik die ochtendzoeternij er in de middag met een fikse wandeling wel af zou lopen. Inmiddels, jaren later en 21 dagelijkse pillen verder weten wel beter. Ook mijn lichaam is aan verval onderhevig. Er zijn nog geen functies definitief uitgevallen, maar het wordt toch allemaal een beetje minder.
Gisteren zijn Gade en ik bezweken. Als trouwe Oscar Wilde-adept heb ik een van zijn aforisme waar gemaakt: “I can resist anything, except temptation.” Het marktplein van Belvès was zonnig, de zin in koffie groot en om de hoek was de bakker. Twee frambozengebakjes. Kleine snoeperijtjes, een voor Gade, een voor mij. Niets aan de hand. Maar in de late namiddag lokt het terras aan de Dordogne in Castelnaud. Gade bestelt een café Liégeois, zonder slagroom en ik laat mij verleiden tot een banana split met. We krijgen allebei een gevaarte opgediend dat het zicht op elkaar belemmerd. Het is heel veel en heel lekker, meer dan een vinger lang.Ik voel dan al bijna dat ik dat zal gaan bezuren.
Een paar uur later. Mijn maag speelt op, maar zo dat ik niet zeker weet of het mijn maag is of iets anders. Druk bij mijn maagingang. Een pilletje. De druk trekt langzaam weg. Dat is de prijs die ik voor het heerlijke ijs moet betalen. Ik kon best eens de laatste banana split van mijn leven hebben gegeten.

Nog geen reacties op dit bericht

Tuin

Gade en ik ontbijten in de tuin voor ons vakantiehuisje. Nu kun je je afvragen wat de tuin is in dit geval. Goed, er is een terrasje en er is een perkje met uitbundig bloeiende rozen en een ongeordende struik lavendel, maar al gauw begint het grasveld dat onmerkbaar overgaat in een bosperceel en de landerijen waar in de avond herten en zwijnen te zien zijn. Overdag is alleen het blaffen van de herten te horen. Hoe anders is dit vergeleken met ons niet onaardige maar in vergelijking toch keurig aangeharkte stadstuintje thuis. Daar hebben we weliswaar het hekje tussen ons tuintje en dat van de buren weggehaald, zodat het wat groter lijkt, maar qua maat is het toch niets vergeleken met de ruimte die we hier hebben. Maar of je dat nou een tuin mag noemen. Het is eigenlijk gewoon buiten.
Gisteren waren we in een tuin, waarvoor het woord tuin ook veel te weinig is. Toch hebben de Fransen het gewoon over ‘jardin’. Maar dat is beter vertaald met park dan met tuin. Het zijn de tuinen Marqueyssac. Marqueyssac is een kasteel. Uiteraard boven op een rots met daarachter tot een nog hogere rots een parkachtige tuin met 6 kilometer aan paden en paadjes en op de top van de laatste rots een magnifiek uitzicht over de vallei van de Dordogne. De klim van het parkeerterrein naar de kasteelingang had al een waarschuwing moeten zijn. Dat ging fiks klimmend hemelwaarts. Mochten we nog blij zijn dat het niet zo’n drukke dag was en we een van de hogere parkeerplaatsen konden gebruiken. Vanuit het dal had ik het kasteel nooit bereikt. Maar allez, verman je zelf. De tocht langs de rotswand is indrukwekkend en vlak, maar dan de klim naar de belvedère, het uitzicht. Ik had het over hemelwaarts gaan. Dat was het haast met dat halve hart van me en die twee verstoppingen. Maar het uitzicht was hemels.
Gade raakt geïnspireerd en denkt er over om onze tuin uit te breiden met een moestuin van 1 vierkante meter op ons dakterras.

1 reactie op dit bericht

Flits

De eerste avond in ons vakantiehuisje rommelde het niet alleen in de verte, maar ook dichtbij. Het lijkt al weer een eeuwigheid geleden, maar het is minder dan veertien dagen. In de vallei hing een stevig onweer. Het heeft altijd wel wat als je in de beschutting van goed onderkomen de natuur zo zijn gang ziet gaan. Ik ben niet bang voor onweer, ik geniet er zelfs wel van. Gade zit wat te lezen en ik kik naar een dvd op een aftands tv’tje. Een kinderfilmpje. Iets anders is er niet in huis en wij hebben er niet aan gedacht iets van huis mee te nemen. Daar ligt nog genoeg om bekeken te worden. Vergeten. Naast het tv’tje is een stoppenkast. Zeg maar gerust stoppenwand. Twee boven elkaar. Een verborgen in een houten kast, de ander in een modernere versie met een plastic deurtje ervoor. Een forse bliksemflits. Uit de onderste kast komt een lichtflitsje. Het knettert  en je ruikt de ozon. Maar alle lichten in het huis blijven branden en het ook de dvd floept niet uit. Niets aan de hand, lijkt het.
Gisteren kwam de huisbewaarster die twee minuten verderop woont langs om het hoofdhuis klaar te maken. Over twee dagen komen de eigenaars een paar dagen uit Nederland over en dan moet het huis wat op orde zijn. Na de gebruikelijke kout,- ja we hebben het geweldig en wat is dit stuk van Périgord toch mooi en wat boffen we met het weer-, gaat zij aan de slag. Maar ze is al gauw bij me terug. De stofzuiger doet het niet en verder laat in het huis dat zij onderhanden heeft de hele elektriciteit het afweten. Of ze even bij de stoppenwand mag, want een deel daarvan bedient ook het andere huis. En ja hoor, de hoofdschakelaar staat op ‘off’. Ik herinner me dan weer in een flits de inslag van 10 dagen geleden. Zij zet de schakelaar op ‘on’. Terug in haar gedeelte van het huis hoor ik haar weer stofzuigen en roepen. Ik kan haar niet verstaan boven het geluid van de stofzuiger, maar neem aan dat ze zegt dat alles het weer doet. En blijken we nu ook Internetverbinding te hebben via het modem in het andere huis, dat nu ook weer stroom heeft en werkt!

Nog geen reacties op dit bericht

Markt

Het is een dorp van niks. Zoals er heel veel Franse dorpen van niks zijn. Een kerk, een kar, een paard een boucherie J. Dubois. Het is zo’n dorp dat ooit een stadje was. Nu eigenlijk ook nog wel, want er is een mairie die elke werkdag van half twee tot half vijf open is en er zijn wel twee bakkers, vijf cafés en zelfs een Petit Casino, een supermarktje ook van niks, waar wel van alles te krijgen is. Nichtlief kent inmiddels het halve dorp en wordt gezoend door de juffrouw van het postkantoor als ze daar een cheque moet inwisselen. Een dorp, een openluchtmuseum gelijk waar je door de week een kanon kunt afschieten en dan eigenlijk nog niemand zou wakker maken. Maar niet op zondag. Dan is iedereen in het dorp. Is het vinden van een parkeerplaats net zo lastig als in Nijmegen en zijn de straten (die zijn er maar weinig) en straatjes (die zijn er heel veel) afgeladen met marktkraampjes, toeristen en zijn ook alle bewoners op straat. Gade zegt geen markt te kennen waar zo veel echt lekkers te koop is. Groenten en fruit en kaas en kazen, Italiaans gebak en kippen aan het spit. Die zijn zo populair dat er voor die kraam een fikse rij wachtenden staat. Op zondagavond wordt er veel kip gegeten hier in de buurt. Er zijn kraampjes met zeep in net zoveel geuren als er wilde bloemen groeien , er zijn tassen en hoeden en schoenen en kleren te koop. Elke kraamhouder spreekt als het nodig is een koeterwaals Engels, ja zelfs Nederlands. De kaasjuffrouw is Belgisch en wij rekenen onze Tomme de Jura en Morbier in onze moerstaal af.
De cafés zitten afgestampt vol. Iedereen met een tas met boodschappen bij zich. De straatmuzikant  op de hoek is een oude Engelsman die hier, gezien zijn repertoire,al veertig jaar lijkt te staan.
Het is zondag in Issigeac. Maandag is het weer een dorp van niks met de charme van een ansichtkaart.

1 reactie op dit bericht

Oeberoeve

Toen de Franse nichtjes nog gewoon de Achterhoekse nichtjes waren, kwam het er geregeld van. Wat heet geregeld, echt jaarlijks troffen Gade en ik de beide dames op het golfterrein. De ene keer op hun baan, de andere keer op die van ons. De wedstrijd werd gelardeerd met een goede slotmaaltijd en walgelijke prijzen. De meest fameuze was ‘siliconen Kitty’, een plastic golfstertje in een bijna uitdagende pose. Althans dat is wat ik mij herinner, maar die kan in de loop der jaren het beeldje alleen maar mooier hebben gemaakt. De jaarlijkse wedstrijd heeft ook een naam: Oeberoeve, afgeleid van de achternamen van het voltallige deelnemers veld. Mijn herinnering laat mij in de steek bij het nagaan van hoe vaak de Oeberoeve gespeeld is, maar in Nederland toch zeker een keer of zeven en één keer in Duitsland. Dat was de jubileum wedstrijd. Een paar jaar later vertrokken de nichtjes definitief naar Frankrijk en wonen nu op de top van hun bergje, riant en luxe. De afgelopen dagen onderbraken wij onze vakantie een paar dorpen verderop om te delen in die luxe. Zwembad en jacuzzi, prachtig weer en vooral door goede zorgen omringd. Het werd weer een tijd voor een Oeberoeve! Gisteren was het zo ver. We speelden op de thuisclub van de dames. Chateau de Vigiers. Jaren geleden hadden Gade en ik er al eens gespeeld. Een club van een miljonair die het complex als zijn speeltje beschouwt. We besloten er niet alleen een individuele wedstrijd van te maken, maar ook twee teams tegen elkaar: de warme kant tegen de kouwe kant. Anders gezegd Oeroe tegen Beve. Ik speelde mijn gebruikelijke weinig briljante niveau. Dat betekent dat het door de baan redelijk ging tot zo’n 100 meter van de green. Dan ga ik aan het klungelen met mijn korte ijzers tot ik eindelijk op de green lig en met redelijk putten tot een matige score kom. Golf is een les in bescheidenheid.
De uitslag: Mijn nicht en ik worden eervol tweede, de kouwe kant, Gade en de vrouw van nicht, eindigt op een schamele één na laatste plaats.

1 reactie op dit bericht

Bariat

Er zijn van die zaken daar moet je geweest zijn om ze je te kunnen voorstellen. Ik heb een levendige fantasie, maar van tijd tot tijd wordt die ingehaald door de werkelijkheid. Neem nou de winkel van Bariat in Beaumont du Perigord. Niet dat ik daar dagelijks kom, maar nu met vakantie hier in de buurt loop ik daar toch graag binnen. Het is een quincaillerie van het zuiverste water. Maar hoe leg je nu uit wat een quincaillerie is en zeker deze. Op de eerste plaats de omvang van het pand. Het heeft twee ingangen. Niet naast elkaar, maar de ene ingang ligt aan de hoofdstraat van het dorp, de andere aan de parallel lopende wat kleinere straat en daarmee wordt de winkel ook de kortste verbinding tussen die twee straten. Dus geen winkelstraat, dat is een straat met winkels, maar een straatwinkel, dat is een winkel die een straat is. En dan wat er allemaal niet te koop is. Dat is maar heel weinig. Want waar vind je een winkel waar ze aambeelden in wel vijf maten hebben, sportprijzen, jachtgeweren, alles om jam te maken, snuisterijen en waspoeder, muizenvallen en nog veel meer dingen die bij het Franse platteland horen, maar waar van ik de naam niet eens ken of de functie ook maar kan vermoeden.
Wij schuimen wat door de winkel, waar de artikelen tamelijk willekeurig tot wel drie, vier hoog opgetast liggen. Gade heeft van de Franse nichtjes de naam opgekregen van een fameus wasmiddel dat alle, ja zelfs oude, vetvlekken uit kleding verwijdert. Terre de Sommières. Als Gade die naam voor zich heen fluistert, herhaalt de mevrouw van de winkel die naam en snelt ons vooruit naar het juiste vak, terwijl zij de wonderbare werking van het middel aanprijst. En bovendien heeft zij ook een spuitbusje met de zelfde werking. Voor als mijnheer vetvlekken op zijn cravatte heeft. Mijnheer legt uit dat hij met pensioen is en geen cravattes meer draagt. We kopen twee dozen en verlaten Bariat aan de andere zijde. Volgens ons is het de grootste attractie van het dorp.

2 reacties op dit bericht

Joséphine

Ik kan me nog maar een paar favorieten van mijn moeder herinneren. Dat was, hoe kan het bijna ook anders Toon Hermans. Maar daar hielden in die tijd alle Nederlanders die een tv hadden van. Zij zong altijd van harte mee met “Kleine Greetje uit de polder, kind van het platteland” en later met “Sammy” van Ramses Shaffy. Mijn moeder ging met haar tijd mee. En vaag weet ik mij ook nog te herinneren dat zij een bijzondere sympathie koesterde voor Joséphine Baker. Een van origine Amerikaanse artieste die vooral in Franrijk furore maakte door alleen in een bananenrokje gehuld in de grote cabarets te dansen en zingen. Nu was mijn moeder helemaal niet van het alleen maar in een bananenrokje gehuld zingen en dansen, overdreven preuts was ze ook niet, maar het was zeker niet alleen deze kant die haar in Joséphine aantrok. Nee, Joséphine was actief geweest in het Franse verzet, een pré zo net na de oorlog als je je gewaardeerd wilde weten en wat nog meer in haar voordeel sprak was dat zij 12 kindertjes uit de hele wereld adopteerde en daarmee in een groot Frans kasteel ging wonen. Het project noemde zij “Enfants du Monde”. Dat zij inmiddels vier keer getrouwd was deed aan haar positieve reputatie niets af. Natuurlijk moest aan dit bijkans ideale sprookje een einde komen. Het project was niet meer te bekostigen en werd te veel voor mevrouw Baker. Uit pure armoede moest zij op haar 68ste weer gaan optreden. En dat werd haar teveel. Ze stierf in het harnas.
Het aardige van de verhalen over Joséphine Baker was dat die in tijdschriften niet alleen verluchtigd werden met foto’s van haar als een moederkloek op haar kasteel, maar ook altijd met een fotootje in diepe grijstinten van haar in het bananenrokje, waar je als klein jongetjes niets op kon zien, maar wel veel vermoeden.
Gistermiddag was ik op Château des Milandes, ancienne demeure de Joséphine Baker. Nu een aan haar gewijd museum, waar de oude luxe nog van afstraalt. Een onafwendbaar failissement of anders gezegd zoals op een van de tentoonstellingspanelen staat: “Joséphine had een groot hart, maar een klein verstand.”

Nog geen reacties op dit bericht