Martelaar

Over een paar dagen vertrekken we naar Frankrijk. Vakantie. In twee dagen zullen we naar onze eindbestemming reizen, een huisje ten noordoosten van Bordeaux. De route is al min of meer uitgestippeld en we zullen langs stadjes en dorpjes komen met schilderachtige namen. In Frankrijk dragen heel veel van die dorpjes de naam van een heilige gevolgd door een nadere precisering. De dorpskerk is vaak gewijd aan die heilige. Waarschijnlijk was het eerder andersom en leende de heilige aan wie de kerk gewijd was zijn naam aan het dorp. Het zijn slaperige dorpjes, een kerk, een kroeg, een boucherie, een pleintje met wat platanen. Zo’n dorpje waar het goed toeven is, de grand café au lait een grijpstuiver kost en waar in het beste geval de Presse zowaar een  Nederlandse krant heeft, maar dat is een uitzondering.
Misschien is Saint-Etienne-du-Rouvray wel zo’n dorp. Ik ken het niet, ben er nooit geweest, maar het lijkt vast op de tientallen dorpjes die ik wel heb bezocht. Een krantje gekocht, bij de bakker een pain au chocolat gekocht en daar bij de koffie op het caféterras, twee gammele tafeltjes met ijzeren stoeltjes, van genoten. De loomheid van een vakantiedag.
De kerkdeur staat open. Het is er koel, verder niemand dan wij tweeën. Ik steek een kaarsje op . Uiteraard bij Maria. Sla een kruisteken. Oud, ingesleten gebruik.
In de kerk van Saint-Etienne-du-Rouvray is een moord gepleegd. De plaats is nu ontheiligd. De oude pastoor is om het leven gebracht. Omwille van zijn geloof, omdat hij pastoor was, herder van een kleine kudde, een handjevol mensen die hij voorging. Voor mij is hij nu een martelaar. Ik ben grootgebracht met verhalen over martelaren, de broeders en paters konden er smakelijk over vertellen. Hoe de Romeinen de christenen afslachten, voor de leeuwen wierpen, roosterden. Gruwelijke verhalen waar een tere jongensziel van smulde.
Hoe anders nu. Een vermoorde pastoor, twee daders, die zich zelf ook martelaar denken.
Over een paar dagen zal ik in een Frans dorpskerkje een kaarsje opsteken.

Nog geen reacties op dit bericht

Libellepoes

A.L.Snijders is een van de, zo niet de beste schrijver van zeer korte verhalen in ons taalgebied. Een aantal van zijn verhalen is gebundeld in ‘De libelleman’. Ik citeer de achterflap: “In een van de verhalen in deze bundel vertelt A.L. Snijders hoe een man libellen fotografeert. Hij staat een halve nacht tot zijn nek in een pikzwarte bosvijver met de camera in zijn ene hand en een felle lamp in zijn andere. Die man zou Snijders zelf kunnen zijn: een ooggetuige zonder oordeel.”
Ik ga hier het verhaal van De Libelleman niet navertellen. Daarmee zou ik Snijders alleen maar tekort doen. Ik ga u een ander verhaal vertellen. Niet over een libelleman, maar over een libellepoes, onze Harrie.
Harrie vertoeft graag in onze achtertuin. Verstopt zich onder de planten, daagt de buurkatten uit, drinkt wat uit de vijver of doet een tukje op de bank in de zon en als het haar te heet wordt schuilt ze onder een tafeltje. Soms brengt ze een bezoek aan de belendende tuinen. “Waar is Harrie?”, vraag ik dan. “Harrie is even wandelen”, zegt Gade , het standaardantwoord als we niet weten waar Harrie zich verpoost. Maar Harrie is een mensenpoes, laat zich geregeld zien, miauwt een groet en laat zich even aanhalen. Maar Harrie is ook druk met een hobby, die wij niet zo waarderen. Harrie is namelijk een fervent libellenjager. Met enige regelmaat brengt ze een vliesvleugelige naar binnen, meestal half dood,  die zij ons trots als jachttrofee toont. Menig libelle is zo al aan zijn of haar gruwelijke eind gekomen. In niets lijkt onze libellepoes op de libelleman. Die heeft genoeg aan het bekijken van de teergevleugelde insecten.Harrie niet. Harrie is geen beschouwer, Harrie is een roofdier. Voor haar is de libelle een jachtobject en eenmaal gevangen voor korte tijd een speelobject. Ze lijkt enige trots uit te stralen als ze weer met een libelle in haar bek binnenkomt en begrijpt niet van ons vermanend: “Harrie toch!” Harrie kan niet denken, maar als ze dat wel zou kunnen zou ze met ons denken “Het is de natuur.” En een libellenlijf lijkt een delicatesse voor Harrie.

Nog geen reacties op dit bericht

Scientology

Natuurlijk had ik weleens over Scientology gehoord.Alles wat maar naar religie of pseudo-religie zweemt, heeft mijn aandacht. Daar ben ik enigermate mee behept en daar is goed mee te leven. Gisteravond keek ik met Gade naar een twee uur durende documentaire over deze stroming, deze leer, deze sekte. Het is maar hoe je er tegen aankijkt. Een ik raakte verbijsterd. Ik ga hier niet uitleggen wat Scientology is. Bent u echt geïnteresseerd dan kunt u terecht bij Wikipedia en de websites van Scientology zelf. Wat ik er van begrepen heb is dat je na heel veel jaren en tienduizenden dollars later een staat van verlichting kunt bereiken in deze als een politiestaat geleide organisatie die zich geïnspireerd weet door buitenaardse wezens. Ze zeggen een samenleving na te streven zonder oorlog en met respect jegens elkaar. Maar hun methodes zijn weinig menslievend. Als je de kerk, zoals ze het zelf noemen, hebt verlaten, kan het je nog knap lastig gemaakt worden door de eigen spionagedienst.
Terwijl ik kijk, samen met 290.000 anderen, bekruipt me soms het angstige gevoel dat het bij Scientology niet anders is dan bij andere religies met dogmatische opvattingen. Zelfs in de kerk waar ik zo vrijzinnig in ben opgevoed is er sprake van buitenaardse wezens. Jaren lang volgde mij bij het naar bed aan 14 engeltjes na, waarvan er zelfs twee aangesteld waren om mij de weg naar ”s hemels paradijze’ te wijzen. Een paradijs waarvan ik sinds 1950 moet geloven dat een vrouw als enige met lichaam en ziel al in is opgenomen en daar tussen al die zielen met haar lichaam toch een vrij eenzaam bestaan moet leiden.
Geloof blijft een vreemde zaak. Misschien is er met geloof eigenlijk wel niks mis, maar zijn het de dogma’s die het star en onbeweeglijk maken. Op die dogma’s kun je een overtuiging stoelen en een zakelijk imperium bouwen, geleid door één man. Vergelijkingen liggen voor de hand, maar toch is de ene kerk de andere niet. Daarmee troost ik me. Een schrale troost.

1 reactie op dit bericht

Muur

Ik ga eens na of de muren van mijn werkkamer voldoende materiaal bevatten voor een blogje en wat die wanden over mij vertellen. Mijn kamer heeft vier muren. Eigenlijk wat meer, want ooit, ver voordat ik hier woonde, was deze kamer twee kamers gescheiden door suite-deuren. Die tussenmuur is er uitgesloopt, maar zonder al te veel fantasie is nog te zien waar die scheidingswand zich bevond. Als je die wand terugdenkt heeft mijn kamer 6 wanden. Een voor- en een achterwand en twee keer twee halve zijmuren. Gisteren beschreef ik een achterwand, vandaag beperk ik mij tot een halve zijwand, die waar mijn bureau tegen aan staat. Ik waag mij niet aan een beschrijving van mijn bureau. Dat bevat genoeg materiaal voor een trilogie in lederen band gevat met gouden opdruk. Dat laten we dus maar rusten. Ik ben van de korte stukjes, niet van de romans.
Deze halve wand is zo goed als leeg. In een hoekje staat een vitrinekast met mijn verzameling Mariabeeldjes en golftrofeeën. Lang voordat het mode werd verzamelde ik al Mariabeeldjes. Religieuze gedrevenheid? Geen flauw idee, misschien een beetje. Misschien ook gewoon verzameldrift. Maar nu lijkt mij de verzameling wel compleet, weinig aanwas, net zoals er ook geen golfparafernalia die op de twee onderste palnken wonen,  bij zullen komen.
Aan de muur een vorig jaar uit de krant geknipte foto. Een kleurrijke strandscene met twee wandelende dames. Opgehangen als remedie tegen een grauwe dag, gewoon met twee plakbandjes bevestigd. Daarnaast een grote schets van een achterover liggende dame, meisje, vrouw. Getekend door Margriet Smulders in 1984. Ik kocht het in die tijd voor ƒ 85,- van de enveloppe met inhoud die ik kreeg bij mijn afscheid van het kerkbestuur. Ook bijna het eind van de band met de kerk, al is die toch nooit helemaal verbroken. Ik kan niet naar de schets kijken zonder weer die hele geschiedenis weer levendig voor de geest te krijgen. Roerige en emotionele tijd, zo tegengesteld aan de rust die de liggende dame uitstraalt.
85 gulden zou nu een koopkracht hebben van € 66,92. Koop je niets meer voor van Margriet Smulders.
Morgen misschien nog een muurtje.

Nog geen reacties op dit bericht

Thuis

Ik ben weer thuis. Niet dat ik echt weg ben geweest, maar de afgelopen week ‘woonde’ ik overdag toch vooral op de Wedren, midden in de Vierdaagse. En nu ben ik weer thuis. Vat het gebruikelijke ritme op. Lukt nog niet helemaal. Normaal schrijf ik in de loop van de ochtend, nu is de middag al goeddeels voorbij. Te lang uitgeslapen, koffieclub gehad, nieuwe broek gekocht en bij de ANWB langs geweest voor een routekaart Frankrijk, broodje gegeten in de stad. Tonijnsalade. En nu weer thuis.
Het lijkt of ik dat weer thuis zijn ook markeer met het beginnen in een nieuw boek. ‘Panter in de kelder’ van Amos Oz. Oz kan schrijven. Oz kan heel mooi schrijven. Zinnen die je met een paar woorden het verhaal in sleuren en direct beelden oproepen. Ik lees zijn boek als een film. De hoofdpersonen figureren in een door hem opgeroepen decor. Een voorbeeldzinnetje uit het eerste hoofdstuk van het boek dat ik nu aan het lezen ben: “Dat laatste zei mama niet tegen mij of tegen papa, maar, aan de richting van haar blik te oordelen, tegen de spijker die boven onze koelkast zat en nergens toe diende.” Een zin die een hele wereld oproept. Een nergens toe dienende spijker boven de koelkast, waar de blik van de moeder op blijft rusten. En ik weet precies hoe de keuken er uitziet en ook hoe moeder en zoon zich verhouden en wat voor een huwelijk zij heeft. In een paar woorden.
Een paar woorden die mij bijna uitnodigen de muren van mijn eigen werkkamer aan een beschouwing te onder werpen en mij af te vragen wat die over mij zelf vertellen. Mijn werkkamer heeft vier muren. De muur aan de achterkant bestaat goeddeels uit een  groot raam en kijkt uit kijkt uit op de tuin. Op de vensterbank matchbox-autootjes uit mijn jeugd, een foto van een overleden jeugdvriend en nog wat rommeltjes, de tabaksdoos van mijn vader, een beeld van een pierrot, een foto van mijn peetkind als peuter, meer dan 30 jaar geleden. Naast het raam de twee diploma’s die horen bij onderscheidingen. Wat heb ik veel woorden nodig om de kleinste wand te beschrijven. Oz heeft aan een spijker genoeg. Misschien wordt dit wel een serietje. Beschrijving van wat mij overkwam aan de hand van wat er bij mij aan de muren hangt. Morgen misschien wel de lange wand, tenzij er iets spannends gebeurt. Ik ben weer thuis.

Nog geen reacties op dit bericht

Afscheid

Het is de laatste dag. Niet alleen van de 100ste editie van de Vierdaagse, maar het is ook mijn laatste dag als lid van het UC. Na 17 jaar vind ik het mooi geweest. En het is inderdaad mooi geweest. Zeventien afwisselende jaren, met verschillende petten op actief geweest. Speaker bij de intocht en de vlaggenparade, samen met de onovertroffen Bep, de Blarenbode mee gemaakt, terloops een vraag van een journalist beantwoord, maar vooral ook 17 jaar veel lol, heel veel lol met elkaar. Samen met al die vrijwilligers een product neer zetten dat zijn weerga niet kent. Niet in Nijmegen, niet in Nederland, niet in de wereld. Iets om trots op te zijn.
Waarom is dit dan toch de laatste dag voor mij als UC’er? Ik had mij voorgenomen om net voor mijn 70ste te stoppen. Je moet oppassen niet die oude man te worden die om de haverklap vertelt dat het vroeger allemaal beter was. Dat geldt voor een heleboel dingen, maar niet voor de Vierdaagse, die zich blijft verbeteren. De 100ste editie wilde ik nog letterlijk en figuurlijk meemaken. Die zit er nu op. Voor de Blarenbode ben ik uitgeschreven.
Vanaf morgen weer een blog als gebruikelijk.

4 reacties op dit bericht

Virus

Als je mensen die op een of ander manier bij de Vierdaagse betrokken zijn, vraagt wat nu het bijzondere is, dan valt al heel gauw het woord virus. Ze zeggen door het Vierdaagse-virus aangestoken te zijn. Dat geldt zowel voor de wandelaars als voor de vele vrijwilligers. Het virus heeft een aantal kenmerkende symptomen. Voor de wandelaars is dat afzien, trots, er door heen zitten en het toch weer waar maken. De vrijwilligers worden naar de Vierdaagse gedreven door het saamhorigheidsgevoel, het plezier, de betrokkenheid. Soms lijkt het virus maar een kort leven beschoren. Zeker bij de wandelaars zijn er nog al wat die het na een jaar wel voor gezien houden en lijkt het virus uitgewerkt. De inspanning woog niet op tegen het genoegen. Al hoor je dan geregeld dat ook al loopt men niet meer mee, het deze juliweek toch weer kriebelt.We zullen het er maar ophouden dat de naweeën van het virus zijn, dat zelfs na jaren toch weer zijn kop op kan steken en onverbiddelijk toeslaan. De wandelaar die zeker wist dat het bij een keer zou blijven, schrijft zich toch weer in. Het virus is nog actief.
Zelf ben ik ook met het virus behept. Nee, ik voel niet de aanvechting om mee te lopen. Je moet je eigen grenzen kennen. Maar ik merk dat ik deze dagen vooral vierdaagse ben. Eenmaal thuis laat ik de vierdaagse niet achter me maar kijk naar “Het gevoel van de Vierdaagse” en het “Vierdaagsejournaal”. Het virus woedt.

1 reactie op dit bericht

Hitte

Even lijkt het of de grote verhalen over veiligheid wat naar de achtergrond zijn verdreven. Opeens, nou ja, niet helemaal onvoorzien, komt de dreiging voor de Vierdaagse uit een geheel ander hoek. Geen terreurorganisatie, maar een fors hogedrukgebied heeft Europa in zijn greep en heeft ook de boorden van de Waal weten te bereiken. En het gonst in het wandellegioen en onder de UC’ers. Worden er afstanden ingekort, wordt er eerder gestart? Aantallen omgevallen lopers lijken met de minuut te stijgen. Een bureauliste vertrouwt mij toe dat vermoeide wandelaars vlak voor het uitchecken in elkaar zegen. In mijn fantasie zie ik een Julianaplein bezaaid met uitgeputte wandelaars. Maar de werkelijkheid is anders. Ook al willen de media ons doen geloven dat er op het parcours bijna meer ambulances rond rijden dan dat er wadelaars lopen, ik zie toch vooral heel veel lopers die nog met ferme pas de verplichte afstand afleggen. Ja, ook voor hen is het warm heel warm, maar zij beschouwen het als een risico van het wandelvak. Soms is het te heet, soms te koud, soms is het droog, dan weer een bui.  Risico’s die zij met de nodige inspanning trotseren en hun prestatie alleen maar meer aanzien geeft.
Of ik het niet warm heb? Natuurlijk heb ik het ook warm. Maar ik hoef nauwelijks de ene voet voor de andere te zetten. Ik heb me op de warmte gekleed, flesje spa onder handbereik en de ventilator probeert, zij het met moeite de hitte wat te neutraliseren. Morgen is het wat graden koeler, of in ieder geval minder warm.

Nog geen reacties op dit bericht

Dreiging

De Vierdaagse is van start gegaan. Voor de 100ste keer. Dat is altijd weer goed voor een kort berichtje in de radio-journaals. Een zakelijke mededeling over de afstanden en het aantal lopers. Meer niet. Hoe anders is dat in de sfeerreportages die ik tijdens mijn ontbijt hoor. Natuurlijk ook dit jaar weer verhaaltjes over de eerste blaren na een paar kilometer, hoe warm het is en hoe ver. Maar in die reportages lijkt het vooral ook te gaan over dreiging. En dan DREIGING met hoofdletters.Ik hoor nu al bijna de teleurstelling in de stem van de journaliste als het bij dreiging zou blijven. Het lijkt bijna of zij de Vierdaagse naar rampspoed wil praten en dat het nieuws niet compleet is als er over vier dagen niets bijzonders gebeurd is.
Er was een tijd dat gezelligheid het trefwoord was als het over de Vierdaagse ging. Nu wordt dat woord  met kleinere letters geschreven en lijkt veiligheid er voor in de plaats gekomen. In de berichtgeving zijn de wandelaars naar de achtergrond verdreven, terwijl het toch om hen draait. Zij leveren een wandelprestatie van formaat, trotseren de elementen en zullen fier zijn als zij vrijdag Nijmegen binnentrekken. En dat ondanks de wat opgefokte verslaggeefster die het lijkt te betreuren dat zij niet extra gefouilleerd is en zich daarom afvraagt of de veiligheidsmaatregelen wel voldoende zijn. Voorbarige conclusie. Er is voorlopig maar een conclusie gerechtvaardigd: de Vierdaagse is gestart!

Nog geen reacties op dit bericht

Vlaggenparade

Het is al weer een fiks aantal jaren geleden dat ik als speaker optrad bij de Vlaggenparade, de opening van de Vierdaagse in het Goffertstadion. Het was de officiële opening met een plezierige mengeling van show, militaire muziek en protocol. Maar de concurrentie met het feestprogramma in de stad deed de belangstelling voor de Parade sterk verminderen. Van afgeladen tribunes was geen sprake meer. Integendeel, de lege gaten op de meeste vakken deden pijnlijk aan en werkten niet echt sfeerverhogend. Einde Vlaggenparade, einde officiële opening. Er werd naarstig gezocht naar een moment om de opening aan op te hangen, maar nooit echt gevonden. En als die wel gevonden werd, ging die toch aan mij voorbij.
En toen kwam de 100ste Vierdaagse. En ziet, de Vlaggenparade werd nieuw leven ingeblazen. Vanuit alle provinciehoofdsteden trokken vlaggendragers naar Nijmegen. Bij hen voegden zich militaire detachementen en muziekkorpsen en zo werd het een kleine afspiegeling van de intocht. De Wedren stroomde vol. Het Vierdaagselied werd gezongen, de bijbehorende vlag gehesen. De Driekleur ging omhoog, het Wilhelmus gezongen en in het Engels werd de 100ste Vierdaagse voor geopend verklaard. Ik zag toe en het deed me wat. Ceremonies zijn aan mij besteed. Traditie evenzeer. En misschien was ik wel getuige van de hergeboorte van een nieuwe traditie.

Nog geen reacties op dit bericht