Masker

Behalve op krantenfoto’s en beelden op tv heb ik pas een keer in het wild iemand met een mondmaskertje gezien. Ik reed zelf met mijn fiets naar de bakker en toen kwam er een mevrouwmij tegemoet met een mondmaskertje voor gebonden. Ik moet toegeven dat ik het maar een vreemd gezicht vond. En misschien is het ook wel een overbodig voorbehoedsmiddel dat meer een symbolische betekenis heeft dan dat het echt bijdraagt aan de beteugeling van het virus. Misschien komt dat ook wel door de vele tegenstrijdige berichten over het nut van een mondkapje in het daagse verkeer. In de medische wereld zal het zijn nut wel hebben. Al sinds jaar en dag tooien medici en verplegend personeel zich met dit attribuut dat de laatste weken alleen maar veel duurder en duurder is geworden. Ik zelf heb voor de zekerheid 20 wegwerpmondkapjes besteld en van mijn buurvrouw kreeg  ik een een door haar zelf vervaardigd exemplaar met een vrolijk bloemetjespatroon. Het zou mijn niet verbazen als ooit wanneer een en ander voorbij is die maskertjes nog ongebruikt ergens in een verborgen hoekje terecht komen. Misschien wel bij de benzinebonnen die ik onbesteed nog heb liggen uit de tijd van de oliecrisis, nu 45 jaar geleden. Toen leek het of er zonder bonnen niet meer te tanken viel en je ze echt nodig had, maar uiteindelijk herinner ik mij niet meer dat er een benzinepomp was waar om de bonnen gevraagd werd. Bovendien zorgde de autoloze zondagen ervoor dat je erg lang met een volle tank deed.
Gade heeft een mondkapje van haar Chinese arts gekregen met het advies dat toch wel echt te gaan gebruiken. Voorlopig is het bij dat advies gebleven.
In de vroege ochtend word ik even wakker. In het eerste morgenlicht kijk ik naar een slapende Gade. Heeft zij haar mondmaskertje nu verkeerd opgedaan? Als ik door mijn slaperigheid beter heen kijk zie ik dat zij een slaapmaskertje over haar ogen heeft getrokken ter uitsluiting van het felle zonlicht dat door een gordijnspleet heen piept. Het maskertje doet waar het voor bedoeld is. Dat is bij dat andere maskertje nog steeds de vraag.

Nog geen reacties op dit bericht

Colombia

Ik heb hier al vaker de loftrompet gestoken over de herenmodezaak waar ik vaste kant ben. Dat ga ik nu weer doen. Persoonlijk gaat de mode aan mij voorbij. Zeker sinds ik een arbeidsloos bestaan leidt en ik veel sociale verplichtingen achter mij heb gelaten hul ik mij in een zeer casual outfit. Een trui of polo, makkelijke broek zijn mij kleding genoeg. De broek moet dan wel een’Meyer’ zijn, een merk waar ik al sinds jaar en dag aan verknocht ben.
Onlangs kreeg ik weer een berichtje van bedoelde herenmodezaak met tal van aanwijzingen hoe in deze tijden gewinkeld kon worden en om een bezoek nog aantrekkelijke te maken was er de verlokkelijke aanbieding dat bij de aanschaf van twee broeken de tweede broek voor de helft van de prijs de mijne kon worden. En met de zomer op komst kan een lichte zomerbroek geen kwaad. Dus op naar de bewuste winkel. Nog voor we binnen zijn lezen wij het advies om met niet meer dan twee personen te komen. Nu heb ik nooit overwogen om van een bezoek aan een kledingmagazijn een gezinsuitje te maken dus met gemak kunnen Gade en ik aan het verzoek gehoor geven. Bij de kassa staat een plexiglazen scherm van waar achter de aardige verkoper Appie (zie mijn blog van 5 oktober 2015) ons met name begroet. Dat is een van de charmes van deze zaak, men kent je. Natuurlijk weet ik ook wel dat bij de professionele uitstraling van deze onderneming hoort, maar het doet toch goed. Er wordt naar mijn gezondheid gevraagd en is de bijbehorende blik meelevend genoeg om als oprecht ervaren te worden. Ik kan van die ambiance zeer genieten. Voordat we tot zaken komen drinken we een kopje koffie en horen van een uitgestelde vakantie naar Colombia. Juist vandaag had Appie met partner voor een vakantie naar dat Zuid-Amerikaanse land moeten vliegen, maar in plaats daarvan verkoopt hij mij  twee broeken (de tweede voor de halve prijs) en een shirt. Ik heb een hartgrondige hekel aan het passen. Als ik uit het pashokje kom is de eigenaresse van de zaak er ook. Geeft het winkelbezoek extra kleur. Appie vraagt of ik weer als toen een stukje over de zaak ga schrijven. “Uiteraard,” antwoord ik, “Gebeurt er mij eindelijk weer eens wat. Ik zal het ‘Colombia’ noemen.”

Nog geen reacties op dit bericht

Gedoe

Een mens kan zich onbedoeld heel wat sores op de hals halen. Dat overkwam mij vandaag.In een ver verleden hadden wij wat geld apart gezet op een Belgische bank. Vraag me niet waarom ik destijds voor die mij verder onbekende bank koos. Waarschijnlijk omdat ze een aantrekkelijke rente op een meerjarig spaardeposito boden. Toen de looptijd daarvan voorbij was kwam het geld terecht op een betaalrekening van die bank. Een rekening die zich verder slapend hield en waarover ik van tijd tot tijd kreeg te horen dat de rente steeds meer het nulpunt naderde. Ik had al tijden het idee om dat inmiddels zeer bescheiden bedrag onder te brengen bij een bankinstelling waarvan alom verteld werd dat het een schone instelling was met het hart op de juiste plaats, zonder bonussen werkte en zich ver hield van investeringen in wapenwedlopen en dergelijke. Een bank waarvan door daar je geld  te stallen het idee kon koesteren iets bij te dragen aan een wat eerlijker monetair klimaat, wat dat ook moge zijn.
Vanochtend heb ik mijn contacten met de Belgische bank beëindigd. Een fluitje van een cent, het tegoed is daar al weggeschreven en zweeft nu ergens tussen die bank en de daaraan gekoppelde tegenrekening. Geld, heb ik ooit geleerd, is een kwestie van vertrouwen. In dat vertrouwen wacht ik op de bevestiging dat het tegoed bijgeschreven is op mijn lopende rekening.
Toen een rekening bij die voor mij nieuwe bank geopend.  Ik vul de naw-gegevens in, maak kopieën van identiteitsbewijzen en zie als ik alles klaar lijk te hebben dat er een foutje in mijn voorletters zit. Verkeerde toets ingedrukt, maar wijzigen lukt niet. Er is een helpdesk, voor al uw vragen. Na acht wachtenden ben ik aan de beurt. “Nee, dat kunt u niet wijzigen, u moet alles opnieuw invullen”, krijg ik te horen. Braaf die ik de exercitie opnieuw. Gade wordt mederekeninghouder, zij moet zich ook inloggen, voorlopig wachtwoord aanmaken en het hele proces wat ik doorlopen heb ook nog een keer doormaken. In haar instructies staat dat zij op ‘inloggen’ moet drukken en haar voorlopige wachtwoord moet invullen, maar het scherm  geeft niet aan waar dat zou moeten gebeuren. Twee, drie, vier keer probeert zij het, maar net als in ‘Little Britain’: computer says no. Gade belt de helpdesk. 13 wachtenden, als er daarvan al zes  geholpen zijn, ontdekken we in heel kleine lettertjes, waar we dat voorlopige codewoord wel moeten plaatsen. Nog even wat gehannes met het uploaden van de ID’s van Gade en mij maar dan rolt de bevestiging van de aanvraag toch over het scherm. Over vijf werkdagen krijgen we bericht. Maar of we een rekening hebben? “Vertrouwen”, zeg ik zachtjes voor me uit: “Vertrouwen. Geld is een kwestie van vertrouwen.”

Nog geen reacties op dit bericht

Rozenstruik

De tuin ligt er prachtig bij. Groen in diverse schakeringen, een zonnetje dat de kleuren van de planten stralend doet oplichten. Het is jammer dat ik geen flauwe notie heb van hoe al die kleurrijke planten heten. Nu kan ik ze alleen maar beschrijven als die met de  oranje bloemen met een zwart hartje, of die diep paarse uienbollen en aan de rand van de vijver die met een veel lichter paars pluimpje. De tuin laat zich eigenlijk het best beschrijven als het palet van een schilder die zo goed als al zijn kleuren gebruikt lijkt te hebben.  Een wirwar van planten en plantjes, van bloemen, een enkele oude boom en overdadige struiken. Een grote kleurenexplosie, niet overdadig maar als van nature op elkaar afgestemd. Soms heftig, in een ander hoekje weer een kalmerend ton sur ton.  Denk er het klaterende geluid van het vijverfonteintje bij en het plaatje is compleet. Zeker als ik een telefoontje krijg van de mooie A, al weer een tijdje niet meer gezien.Ze is uitgewerkt en heeft zin een langs te komen, of dat schikt. Een bezoek van A schikt altijd en de tuin is groot genoeg om alle coronavoorschriften in acht te nemen. In een lommerrijk stukje tuin is het goed toeven. En zoals altijd loopt het gesprek naar behoren. Gade heeft een kan met water met muntblaadjes en schijfjes citroen klaargemaakt. Heerlijk verfrissend. Een zomerse namiddag, waar kan het een mens nog aan ontbreken. Drie mensen die genieten van elkaars aanwezigheid
Mijn ogen dwalen af naar het rozenstruikje. Ooit stond het in de tuin van Els. Minder dan een jaar geleden hebben we het daar uitgegraven, deel van de operatie om haar huis en tuin waar zij niet meer terug zou komen leeg en in de oorspronkelijke staat op te leveren. Het iele struikje kreeg een plaats in ons, -kom, niet te sentimenteel worden nu-, paradijsje achtertuin. Het kreeg de nodige aandacht, goede grond en water. Het werkte. Het struikje fleurde weer op en draagt nu rijke bloem en knop als of het een boodschap brengt, een boodschap voor wie het wil verstaan.
“Ik ga er weer eens vandoor, het was gezellig.”
“Dag A, tot gauw.”

Nog geen reacties op dit bericht

Gêne

Ik beweer van tijd tot tijd en met stellige overtuiging dat ik in de loop der vele jaren twee dingen voorgoed voorbij lijk te zijn. En dat zijn de ambitie en de schaamte. En ook al heb ik er in deze kolommen vaker over geschreven toch nog maar er weer eens over reflecteren. Al was het maar om na te gaan of die beweringen niet alleen  een soort koketterie zijn, maar ook gestoeld op een oprechte overtuiging.
Wat de schaamte betreft geloof ik niet dat ik mij ergens diep voor geschaamd heb. Ik ben  op wat ik kan en kan leven met wat ik niet kan. Daarbij klamp ik mij geregeld vast aan wat een Vlaamse collega uit mijn tijd bij Scouting mij eens toevoegde toen ik dacht een leeropdracht helemaal verkloot te hebben, zo zelfs dat ik twijfelde aan mijn capaciteiten als trainingsfunctionaris en ik er helemaal doorheen leek te zitten. Hij verzekerde mij trots te zijn op wat ik kan. In het Vlaams klinkt dat nog vertrouwenwekkender: Ge moet fier zijn op wat ge kunt. Dat is sinds die tijd een soort lijfspreuk van mij geworden.
Van ver voor die tijd herinner ik mij twee momenten waarop ik gêne voelde. Allebei al van jaren her en allebei onderwijssituaties. Bij een van de eerste lessen Duits kreeg ik een leesbeurt en las in zinnetje ‘Die Stadt und seine Umgebung’ dat laatste woord als Umgebung, met de klemtoon op de verkeerde plaats. Klas buldert van het lachen en ik, ik begrijp niet waarom.
Eerder voorval. Hoofdrekenen. De broeder loopt door de klas, kijkt een jongen aan en zegt: “vier en zeventien.” “Eenentwintig,” is het prompte antwoord. Zo gaat hij de hele klas langs. Ik kom aan de beurt. Eitje denk ik, ben een van de betere leerlingen De broeder zegt: “Twee en twintig.” Ik wacht op het tweede getal om de som te kunnen afmaken, maar de broeder herhaalt slechts : “Twee en twintig.” Ik blijf stil, de broeder herhaalt het nog twee, drie keer. En dan, gêne alom, snap ik het. Ik begreep tweeëntwintig als getal, hoorde geen twee en twintig als som. En daar zat ik dan met al mijn slimheid. Nu na tientallen jaren ben ik die schaamte nog steeds niet echt voorbij en blijft het een krasje op mijn ziel. Heb het nu maar even niet meer over ambitie.

1 reactie op dit bericht

Boos

Als ik de afgelopen weken zo eens in beschouwing neem ben ik op zoek naar een woord dat goed past bij wat ik nu als een maand of twee  meemaak. Een woord dat dan bij mij opkomt is ‘gelatenheid’. Ik weet niet of dat het meest passende begrip is. Voor de zekerheid tik ik het woord in bij Google en lees  dan maar liefst 18 omschrijvingen voor gelatenheid’: 1) Bedaard 2) Berustend 3) Bezadigd 4) Duldzaam 5) Geduldig 6) Geresigneerd 7) Gespannen 8) Getroost 9) Lijdelijk 10) Lijdzaam 11) Meegaand 12) Onderworpen 13) Ongedaan kalm 14) Onverbitterd 15) Passief 16) Rustig 17) Stoïcijns 18) Zonder belangstelling. Daar zijn er altijd wel een paar bij die precies weergeven wat mijn gemoedstoestand van de afgelopen weken  was en is. Met een paar omschrijvingen, met name  18, 14 en 12 kan ik geen kant op. Maar doorgaans ben ik van harte bereid dingen te nemen zoals ze zijn en is gelatenheid toch wel het meest passende begrip. Ik heb mij al lang geleden eigen  proberen te maken dat zaken waar je toch niets aan kunt veranderen nauwelijks energie te geven. Je kunt je krachten beter gebruiken om zaken te veranderen die veranderbaar zijn. Trekken aan een dood paard helpt het maar een heel klein en te verwaarlozen stukje vooruit.
Zo heb ik de voorbije tijd dan ook maar aanvaard zoals het was. Ben braaf in quarantaine gegaan. De eerste weken vrij absoluut en allengs wat minder strikt. Ik ging weer op bezoek en ontving bezoek. Uiteraard wel met inachtneming van de van rijkswege geadviseerde restricties. De anderhalvemetergrens respecteerde ik, handen werden niet geschud en aanraken deed ik enkel Gade, de poes Harrie en de buurthond Beer. En ik dacht daarmee zelfs de huidhonger te kunnen stillen. Zeer tegen onze gewoonte in begroetten mijn kinderen en ik elkaar slechts met een hoofdknikje. Dat vonden we allemaal vreemd en oneigenlijk maar dat hebben we voor de goede zaak, de beteugeling van het virus en onze eigen gezondheid over. Ik nam en neem het voor hoe het nu  is.
Ik kreeg een berichtje van een heel goede vriendin. Of een bezoekje op anderhalve meter mogelijk was. We zien elkaar maar heel af en toe, met grote tussenruimte in de tijd, maar verder in intieme nabijheid. Zij kwam op de koffie en we respecteerden, uiteraard, de afstand. Het werd een genoeglijk bezoek. Toen ze weg was na een Japans afscheid met een buiging op geduchte afstand voelde ik voor het eerst in plaats van gelatenheid boosheid. Boosheid omdat we elkaar niet mochten aanraken. Iets wat in al die vriendschapsjaren zo eigen aan ons contact was. Even was er geen sprake van gelatenheid. Even was ik boos. Maar op wie?

Nog geen reacties op dit bericht

Knipoog

Aan het eind van de jaren zestig van  de vorige eeuw toen de wereld via studentenopstanden, protestbewegingen even op zijn grondvesten schudde was ik voor mijn nummer in dienst. In die tijd was er nog dienstplicht. Ik zou met groot gemak heel wat blogs kunnen vol schrijven   over die tijd dat ik als Rijder der 1e klasse en chauffeur van de afdelingscommandant Hare Majesteits wapenrok droeg. Maar dat bewaar ik als ik ooit helemaal niets meer te schrijven zou weten. Nu verbaas ik mij er soms met terugwerkende kracht nog  over dat in het roemruchte jaar 1968 ik als dienstplichtige van lichting 68-4 in dienst zat. Het was geen moment in mij opgekomen dat ik dat ook had kunnen weigeren en op alternatieve wijze aan mijn maatschappelijke verplichting had kunnen voldoen. Ik was gelegerd in de Oranjekazerne in Schaarsbergen en reed daar mijn rondjes in mijn Munga met in veel gevallen naast mij de Overste Brackel. In die tijd kregen wij ook schietoefeningen, ik had tenslotte niet voor niets een Uzi mitrailleurpistool waar ik meestal niets anders mee deed dan het uit elkaar halen, poetsen en weer in elkaar zetten. Ik herinner mij vaag dat ik in mijn hele diensttijd niet meer dan vijf patronen heb afgevuurd. Daarbij kwam ik er voor het eerst achter dat ik bij het richten alleen maar mijn rechteroog kon dichtknijpen, zodat ik, rechtshandig die ik ben, toch mijn Uzi op mijn linkerschouder moest leggen, wilde ik een beetje recht door het vizier kunnen kijken en zorgen dat mijn kogels toch wel in de buurt van de vijand (lees schietschijf) terecht zouden komen. Mijn linkeroog dichtknijpen is mij ook nadien nog nooit gelukt.
Vanochtend was dochterlief op bezoek. Zij bewonderde de zojuist aangeschafte verrekijker (zie blog  van 22-5-2020) en vertelde toen achteloos dat het haar bij het werken met een microscoop nooit gelukt was haar linkeroog te sluiten en dat het met het rechter alleen lukt als zij met die gezichtshelft een vreemde grimas maakte. Opgetogen meldde ik haar dat ik met hetzelfde ongemak behept was. Genetisch bepaald, kirden wij samen uit. Het voelde als een bevestiging van mijn vaderschap. Wij vroegen ons af of mijn zoon, haar broer ook alleen maar zijn rechteroog kon dichtknijpen. We belden hem. Nee, hij kon beide ogen naar believen dichtknijpen. Dat had hij dan waarschijnlijk van zijn moeder. Namen wij aan, want dat is niet meer te controleren.

Nog geen reacties op dit bericht

Apotheek

Gade is op weg naar Doesburg. Zij heeft op Internet een adresje gevonden waar met een aanzienlijke korting een verrekijker wordt aangeboden. Onlangs is zij haar verrekijker kwijt geraakt. Bij het uitlaten van Beer, de hond, moest zij een sloot over via een glad balkje. Zij gleed uit, belandde in het water, de plomp in. Nat pak en een stevige blauwe plek op haar bovenbeen. Dat leek de schade, maar eenmaal thuisgekomen bleek dat haar verrekijkertje, een voor haar onmisbaar attribuut bij wandelingen in de polder of het bos, niet meer in de zak van haar jack zat. Bij de buiteling was de kijker er waarschijnlijk uitgevallen. Een zoektocht de volgende dag op de plek des onheils leverde niets op. Het kijkertje was of door een wandelaar gevonden of inmiddels  in de drabbige modderlaag van het slootje voorgoed verdwenen. Maar hoe dan ook, de verrekijker was kwijt.
Gade is de laatste dagen druk bezig geweest met het uitvoeren van een vergelijkend warenonderzoek. Zij hoefde daarvoor de deur niet uit, een aantal klikken op Internet wa voldoende. En zo zag zij op de website van een verrekijkerfabrikant een kijkertje naar haar zin, ook nog met een actiekorting van vijftig euro. Zij speurde verder en vond via Marktplaats een adresje van een kleine opticien die de zelfde kijker voor 2/3 van de fabrieksprijs aanbod. Voor de zekerheid heeft Gade de aanbieder maar even gebeld en je, hij had die kijker spiksplinter nieuw in voorraad. “We hebben een uitje!”, zei Gade, “Op naar het stadje D. een ritje van 40 kilometer.” Op het moment dat ik in de auto wil stappen realiseer ik mij dat ik eigenlijk niet weg kan. De apotheek zou nog wat medicijnen komen bezorgen. Een precies tijdstip konden zij niet noemen , in de loop van de middag. De afgelopen dinsdag waren zij daarvoor al tevergeefs aan de deur geweest. Voor mij dus geen uitje. Gade alleen op weg.
Inmiddels is zij weer thuis, zeer verheugd over haar en met haar aankoop. De apotheek moet nog langskomen, hopelijk.

Nog geen reacties op dit bericht

Hemelvaart

Ik stam nog uit de tijd dat Hemelvaart als een zondag werd gevierd. Nu is het gewoon een vrije dag waarbij zo goed als niemand zich realiseert wat er deze dag herdacht wordt. Hemelvaart, het zal wat, nu is het meer een strandvaart, pretparkvaart. Daar zijn we vandaag met te veel naar op weg, het strand, de Efteling en wat die meer zij. Maar naar  de hemel dat willen we nog lang niet. Ja ooit misschien, maar voorlopig nog maar niet. Hemelvaart, mondkapje op en naar de bossen en de heide, als de wegen daar naar toe ter beteugeling van het virus tenminste niet zijn afgezet.
Destijds was Hemelvaart een zondag, inclusief kerkbezoek. Dan ging je ook naar de H.Mis, daar dacht je toen nog niet bij na. Ik tenminste niet, ik ging braaf met vader en moeder ter kerke.
Vandaag ben ik ook naar de kerk gegaan, ook al is er geen dienst meer. Corona strikes again. Op zondagen, maar ook vandaag, is mijn kerk van 10 tot 12 uur open voor stil gebed, overdenking en meditatie. Er is een handjevol mensen, een piano speelt wat rustige muziek, maar er is ook veel stilte. Stilte in de kerk geeft ruimte om te denken, te beleven. En in die stilte probeer ik bezig te zijn met die altijd brandende vraag waar is god, wat is god, wie is god? In die stille kerk kom ik op de volgende vergelijking.
Ik heb een kat. Harrie, een kleine pikzwarte poes die in een donkere schaduw lijkt op te lossen, verdwenen lijkt. Ik weet dat hij er is, maar is door zijn schutkleur niet meer te zien. Maar hij is er wel degelijk. Halve dagen zien wij Harrie niet. Als iemand vraagt waar Harrie dan is  luidt het standaardantwoord “Harrie is wandelen.” En als we haar (Harrie is een meisje) dan roepen komt ze soms, maar soms ook niet. Harrie bepaalt zelf wel wanneer zij zich vertoont.
Misschien gedraagt god zich wel als Harrie. God is kat geworden. Soms te zien, vaak ook niet, maar wel altijd aanwezig. Waar precies?
In de kerk steek ik een kaarsje op, sla een kruisje en ga naar huis waar Harrie wacht.

Nog geen reacties op dit bericht

Nijmegen aan Zee

Ik ben op een steenworp afstand van de rivier de Waal geboren. Vlakbij de haven, de haven de ons speelterrein was.Een haven die vol lag met boten en schepen. Een enkele woonboot en destijds een boot waar de politie te water kantoor hield. De geur van die haven is een jeugdherinnering, zoals ook de rivier zelf met mijn jeugd verbonden is. Op mooie zomerdagen picknickten we in het gras van de dijk bij de kop van de haven. Beschuit met aardbeien en met het puin dat daar ook lag bakende mijn vader aan de rand van de rivier een gebiedje af waar ik mocht pootje baden, veilig omdat, ik hoor vaders waarschuwende stem nog, de stroom van de rivier ontzettend sterk was en als je maar iets te ver het water in ging  je kon meeslepen en je pas in Rotterdam weer boven kwam drijven. Mijn vader bracht die boodschap met zoveel overtuiging dat hij het zelf geloofde. En daar aan rivier zagen wij de boten voorbij komen. Op de achtersteven een vlag. Nederland, België  en Duitsland, die ik altijd door elkaar haalde, Zwitserland en af en toe Frankrijk, maar dat was een uitzondering. En ik zag rijnaken, duwboten, een enkel passagiersschip en soms zelfs een kustvaarder. Dat alles samen het decor van mijn jeugd.
Vandaag lees ik in de nieuwsbrief van de gemeente Nijmegen: “Nijmegen is een (kleine) zeehaven. Dit betekent dat zeeschepen die de haven bezoeken, zich officieel moeten melden. Havenbedrijf Rotterdam N.V. krijgt de opdracht om deze meldingen te regelen.” In mijn jongensjaren heb ik veel schepen langs zien varen, maar een zeeschip? Niet dat ik weet. Hooguit heel soms een marineschip dat een promotietoer langs havensteden maakte en vast en zeker ook wel eens de zee opging. Maar sinds een paar maanden is er een regel dat zeeschepen zich bij een klein zeehaven aanmeren zich moeten melden bij de bevoegde autoriteit van de haven. In het Nijmeegse geval is dat het College van B&W, die die klus zouden willen neerleggen bij de havenmeesters. In het collegevoorstel lees ik dat “het een extra werkbelasting voor de toch al krappe bezetting van de 2 havenmeesters (is). Zij hebben nu niet de benodigde kennis voor het uitvoeren van de meldplicht en hebben hier ook niet de tijd voor.”
Het College vraagt het Havenbedrijf Rotterdam deze meldingen namens hen te willen doen. In het voorstel staat overigens ook dat er weinig tot geen zeeschepen binnenlopen. Maar voor het bijna ondenkbare geval  is het nu, als de Raad akkoord gaat, goed geregeld.
Ook als er geen enkele melding gedaan moet worden krijgt het Havenbedrijf voor niets doen toch 1.000 euro per jaar.

Nog geen reacties op dit bericht