Bedgenoten

Ik slaap deze week alleen. Dat betekent niet dat ik verder niets zou doen dan slapen, het is maar hoe je het wenst te lezen. Nee, deze week is het echtelijke bed voor mij alleen. Gade is weg, ver weg. Wel drie grenzen over gevlogen en dan nog een stukje met de auto.
Ik slaap als een roos. Dat doe ik altijd al, ook met Gade naast me, maar nu ook. Wel blijft het vreemd om dat andere vertrouwde lijf niet naast je te voelen als je je omdraait. Maar het belet me niet gerust verder te slapen. Vannacht, mijn tweede nacht alleen, voel ik als ik mij omdraai iets liggen. Een enveloppe, die ik de nacht er voor niet ontdekt heb. Het is te midden in de nacht om echt wakker te worden en leg de enveloppe naast me op het tafeltje naast het bed. Als ik opsta zal ik lezen wat er op de enveloppe staat. Maar voor het zo ver is schrik ik. In het halfduister van een ontwakende dag zie ik een grote donkere vlek op mijn hoofdkussen. Bloed? Maar de vlek is droog. Dan ontdek ik dat het het silhouet van een gloeilamp is dat op de achterkant van het kussen gedrukt staat. Het is een kussen uit de serie “Po√ęzie om te kussen”. Op de voorkant een gedicht van Herman de Coninck. Ik lees het de volgende ochtend als het licht genoeg is:
Om echt te lezen
moet je alle lichten uitdoen,
woorden houden van duisterheid
zoals het beeld houdt van de donkere kamer.
Onder hen beiden zouden ze zonder geluid
te maken de wereld kunnen vervangen.
Het is dan ook licht genoeg om te zien dat Gade iets op de envelop heeft geschreven. Ik lees lieve woorden, alleen voor mij bedoeld. En in de envelop iets om de negen nachten af te tellen.
Vreemde bedgenoten. Een envelop en een gloeilampsilhouet. Maar het is er goed bij toeven. Ik heb van mijn bed genoten. Vanavond weer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *