Dammen

Een paar dagen geleden drink ik mijn cappuccino bij een favoriet koffiecafeetje. Alleen. Sinds een tijdje woont Zoonlief in de buurt. Ik bel hem of hij ook zin heeft in een koffie. Dat heeft hij. Hij zal er zo zijn. Van zijn huis tot het koffiecafeetje is het alleen maar bergaf. Nog voor ik een slokje van mijn cappuccino heb genomen is hij er al. Ik houd van die terloopse ontmoetingen. We hebben het nergens over. Babbelen wat over alles en niets. Hij drinkt zijn koffie verkeerd. De onbelangrijkheid spettert van het gesprek. Het gaat nergens over. Maar het is goed zo. Vader en zoon. Hij vertelt dat hij het eind van de week met zijn band zoals elk jaar rond deze tijd naar Innsbruck vliegt. Een lang weekendje weg met een optreden. Hij verheugt zich er op.
We bestellen nog wat. Hij een espresso, ik een smoothie. Ik zie een damspel liggen. “Potje doen?” vraag ik. “Waarom niet.” Wanneer heb ik voor het laatst met mijn zoon een potje gedamd?  Misschien wel 30 jaar geleden. “Je moet je oude vader wel laten winnen!” Hij belooft zijn best te doen.
We ordenen de stenen. Ik speel met wit en begin. Ik doe al gauw een domme zet en verlies een steen. Hij doet een nog dommere zet en ik kan in een keer drie stenen slaan. Even bestrijdt hij de geldigheid van mijn slag, maar hij capituleert. Ik voel dat hij mij niet meer hoeft te laten winnen. Ik win toch wel. Ik loop al gauw door naar een dam en richt daar fikse vernielingen in zijn stelling aan. Ik win. We bergen de stenen op in de doos. Een tweede potje zit er niet in. Ik vraag me af wanneer ik weer een potje met hem zal dammen. Als er net zo veel tijd tussen dit potje en het vorige zit, zal dat in 2043 plaats vinden. Ik denk dat ik hem dan maar zal laten winnen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *