Kloostergast

Ik ben weer een dag onder de dominicanen. Zo voelt het. Een half jaar geleden was ik dat ook. Samen met Gade een retraitedagje. Nu ben ik er in  mijn eentje. Gade doet ver weg nieuwe inspiratie op. Zij in de bergen, ik in de uiterwaarden van de Rijn. Het is een klein gezelschap. Vier vrouwen, een begeleider en ik. Zes mensen op zoek. Nee, niet naar een schrijver. Die maken al deel uit van het gezelschap. De schrijfster van een boekenweekgeschenk en een lieddichter wiens werk ik vroeger geregeld in de kerk zong. En ik dus, blogjesschrijver, die toch nog vaak schroomt zich schrijver te noemen.
Alle zes zijn wij op zoek naar de wortels van het bestaan. Ons bestaan. Het lijkt er op of we vroeger weer aan het oppoetsen zijn. Verkenningen rond wat we vinden, wat we geloven. Samen tasten we naar wat ons stimuleert. Resten van een oud geloof. Dat doen we door te praten, te luisteren, stil te zijn na te denken.
Ik vraag me af of Robinson Crusoë pas weer mens werd toen hij Vrijdag ontmoette. Ik lees een tekst over ik en de ander: “Alleen mensen die een zekere rust hebben in zichzelf, in vrede leven met zichzelf, kunnen ook in vrijheid lid van een gemeenschap zijn.” In de stilte van een zonnige kloostertuin herken ik drie fasen van het bestaan: 1. De ander herkent mij; 2. de ander kent mij; 3. de ander erkent mij. Duidelijk is dat ik de ander nodig heb om te weten wie ik zelf ben. Ik spiegel mij aan de ander, zoals de ander aan mij. In de kantlijn van de uitgereikte tekst schrijf ik: “Ik word pas iemand als een ander mij herkent, mijn naam noemt, luistert naar wat ik zeg en mij koestert en beschut. Dan weet ik wie ik ben.”
Over drie kwartier begint het middagprogramma. Ik ga nog even de tuin in, kloostergast voor een dag.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *