Roken

Ik heb nooit gerookt. Nou, nooit is niet helemaal waar. Ooit in Frankrijk als 14-jarige met de school op werkkamp waagde ik me aan Gauloises. Dit is bepaald geen beginnerssigaretje. Ik was blij dat ik het zo vies vond, dat mijn afkeer het won van mijn behoefte om stoer te zijn. Het is heerlijk van tijd tot tijd een watje te zijn. Dat bekennen geeft weer een eigen vorm van fermheid. Na die tijd rookte ik alleen één sigaartje per jaar om het vuurwerk aan te steken in de nieuwjaarsnacht en soms zelfs al op oudejaarsavond.
Goffertstadion. Ik heb een seizoenkaart voor NEC, dus was ook bij de wedstrijd tegen Heerenveen. In de rij achter mij, rij 5 van vak F, krijgen twee mannen, net na het begin van de tweede helft, ruzie. De omroeper heeft zo juist omgeroepen met het verzoek in het familievak niet te roken. Reden genoeg voor de ene man om tegen de andere te zeggen dat hij last heeft van de rook van die ander. Voetbal is emotie, maar een discussie over roken in de openbare ruimte kan er ook wat van. Zij krakelen dat het een lieve lust is. Ik hoop dat ze elkaar niet gaan slaan, want ik zit precies binnen hun beider armzwaaibereik. En het is mooi, heel mooi te zien hoe zij hun woordenstrijd twee keer moeten staken om te juichen voor een NEC-doelpunt. Ze denderen van de ene emotie in de andere. Zeker als Heerenveen binnen de minuut een tegendoelpunt maakt. Maar drie doelpunten in vijf minuten zijn genoeg het lont uit hun kruitvat te halen. Ze wisselen geen woord meer met elkaar. En de ander steekt nog eens op.
In de 87e minuut maakt Heerenveen gelijk, terwijl wij de overwinning roken. Maar roken doe ik dus niet meer. Een leven lang al niet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.