Shawl

Ik mag graag roepen dat ik het koud heb. Nu kan ik op zich wel goed tegen de kou, dat moet ook wel want anders zou ik haast geen leven meer hebben. Ik weet dat dat wat tegenstrijdig lijkt en waarschijnlijk ook is. Roepen dat je het koud hebt en er goed tegen kunnen. De kou bij mij komt meestal van binnenuit. Zal wel wat te maken hebben met een niet meer optimale doorbloeding. Zeker in de extremiteiten zou de lichaamsthermostaat wel wat hoger mogen worden gezet. Het overkomt mij dan ook menig keer dat een liefdevol bedoelde aanraking door Gade beantwoord wordt met een rillerig gilletje en de opmerking: “Jongen, wat heb je het toch koud.” En dat klopt eigenlijk niet. Ik heb het niet koud, ik ben koud. Mijn vingers kleuren langzaam paars en voelen dan ook aan als ijspegels die uit een bevroren dakgoot hangen. IJs- en ijskoud. Maar ik kan het hebben. Het brengt mij terug naar mijn jeugd, toen winters nog winters waren en ik na een sneeuwballengevecht met verkleumde vingers thuis kwam en mijn moeder mijn handen onder haar oksels stopte en de kou langzaam uit mijn vingers verdween en plaats maakte voor een tintelend gevoel, haast pijnlijker dan de koude vingers.
’s Avonds op de bank voor de televisie hult Gade mij geregeld in een plaid. Alleen mijn hoofd steekt boven het dekentje uit. Meer is ook niet nodig bij het tv-kijken. Ik voel me als een rups in een zachte cocon, wachtend op de lente om als een vlinder uit te vliegen. De poes vindt het ook voor haar een prima plaatsje om op te komen liggen en als warm kruikje te dienen.
Vanmiddag kwam Gade uit de stad. Met een cadeautje, terwijl ik niet eens, zoals mijn zoon, jarig ben. Een warme veelkleurige heel brede shawl, beter passend bij de kleuren van de dagpauwoog die ik misschien wel word als de zon warm genoeg schijnt om mij uit mijn cocon te laten breken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.