Depressie

Mijn dag begint vaak met een inmiddels schier rituele openingszin: “Ik blijf vandaag in bed.” Gade is dan net opgestaan, de prijs die zij betaalt voor een arbeidzaam bestaan, krummelt wat rond, maakt haar ochtendtoilet. Ik draai me nog eens om, koester mij in de afdruk van de nachtelijke warmte die haar lijf in bed heeft achtergelaten. Ik kan nog even blijven liggen, het geluk verbonden aan een arbeidsloos bestaan. Gade reageert nauwelijks op mijn ochtendzin. Heeft hem al zo vaak gehoord en weet dat het toch niet gebeurt. Over een half uurtje zal ik ook opstaan.
Vandaag voeg ik aan mijn klassieke dagopening zo maar uit het niets twee regels, een zin toe. “Mooi,” zegt Gade. Ik zeg dat ze het begin van een gedicht zouden kunnen zijn. De laatste tijd komt er weinig van dichten, ga er niet meer voor zitten. Eigenlijk nooit gedaan. De meeste gedichten kwamen spontaan, ingevingen die alleen maar ontdekt hoefden te worden, een beetje bijgevijld, licht gepolijst.
Ik proef de regels nog een paar keer. “Opschrijven,”zegt Gade. Ik zeg dat ik ze wel onthoud en weet dat de drie regels niet het begin van een gedicht zijn, maar het hele gedicht. Moet alleen nog  maar een titel boven en een nieuw gedichtje is geboren. Natuurlijk gaat het bijna onontkoombaar over de dood. Daar lijken mijn versjes bijna niet zonder te kunnen. Hoe anders is dat bij de Eindhovense stadsdichter Merel Morre die maar liefst 50 gedichten over geluk publiceerde en waar ik de laatste dagen met genoegen in blader. Gedichtjes die vrolijk stemmen.
Dat doet mijn nieuwe versje niet. Ik vind het zelf vreemd dat zo’n versje bij me opkomt. Natuurlijk de dood is altijd dichtbij. Voor wie niet. Maar het versje staat haaks op wat ik voel. En wat ik voel is wat ik ben. Ik troost me met de woorden van Bertus Aafjes: “Dichters liegen de waarheid.” O ja, nu nog het gedichtje.
Depressie

Ik blijf vandaag in bed
En bel de dood
Waar hij mij vinden kan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *