Hoog water

Lang geleden, in ieder geval in de vorige eeuw, kreeg ik een nieuwe collega. In het stadhuis van Nijmegen deelden wij een kamer. Een kamer op de vierde verdieping. Het was nog voor de tijd dat kantoortuinen in de mode waren. Je had gewoon je eigen werkplek die je naar believen kon personaliseren. Een foto op je bureau,  een plaatje tegen de muur. Jouw werkplek. Boven mijn bureau had ik een regel uit een van de gedichten van Vasalis hangen: “Ik wil een woord, dat toovren kan“. Het was een wens om dat wat ik als beleidsadviseur schreef kwaliteit te geven. Een ijdele wens, want ik kende ook de laatste regel van dat naamloze gedicht: “…woorden woorden woorden toovren niet.”
Het was ook in die tijd dat ik geregeld een gedicht schreef. Maar dat wat als gedicht begon eindigde vaak als versje, rijmelarij en vervolgens in de prullenbak.
Vanuit onze hoge positie hadden mijn nieuwe collega en ik bijna zicht op de Waal en zeker als die rivier niet genoeg had aan zijn bedding zagen we vanuit onze kamer ondergelopen uiterwaarden. In de middagpauzes wandelde dan zo goed als heel ambtelijk Nijmegen langs het water. Het was op een van die dagen dat ik aan mijn nieuwe collega vroeg of ik een gedicht voor haar mocht schrijven. Je moet toch wat doen om in de belangstelling te komen. Dat mocht. “Zeg maar waar over”, vroeg ik haar. “Hoog water”, antwoordde ze.
Hoog water
De rivier, anders zo’n rustig stromen,

verstoort nu vochtig mijn dagdromen.
Want turend naar de weidse overkant,
mijn gedachten in een ander land,
had ik niet in de gaten
hoe in een godverlaten
moment het water de kaai overspoelde
en ik aan mijn voeten voelde
hoe wankel de grens tussen
land en water wel is.

Gade is net terug van haar middagwandeling langs de hoge rivier. “Imposant als altijd”, zegt ze.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *