Nakomertje

Ik ben een nakomertje. Of eigenlijk: ik was een nakomertje. Degenen na wie ik kwam, twee veel oudere zussen en twee nog veel oudere broers, zijn al dood. Maar van de andere kant, ik kom ook weer na hen in gene zijde aan. Ik blijf dus een nakomertje. Toen mijn laatste zus stierf gaf dat -en feitelijk nog steeds- een verweesd gevoel. Geen vader en moeder meer, geen broers en zussen meer. Alleen nog maar één schoonzus, de enige van de koude kant die nog leeft. Ik kan dat gevoel van verweesd zijn ook niet goed benoemen, laat staan plaatsen. Het was niet zo dat wij elkaar overliepen, maar ergens was er toch dat idee dat je bij je broer en zus langs kon gaan, als je dat wilde. Niet dat ik gedreven werd door een onstuitbare behoefte dat te doen, integendeel zelfs. Maar familie hoor je te hebben. Als het zo uitkomt. Een enig kind heeft dat gevoel anders, heeft nooit beter geweten. Maar als je broers en zussen hebt gehad, ook al waren ze bijna een generatie ouder, mis je ze soms. En wat je niet gehad hebt kun je niet missen, daar kun je alleen naar verlangen.
Op dit moment, woensdagochtend 11.14, uur is het vliegtuig uit Bergerac in Rotterdam geland. Dat vliegtuig brengt een van mijn twee oomzegsters naar Nederland. Ik heb ook nog een oomzeggende neef. En dat is het wat mij, behalve een stel achternichten en een -neef, nog aan familie rest. En o ja, ik heb ook nog wat volle neven en nichten, maar ook allemaal fiks bejaard. Als je zoals ik met 64 de jongste bent, dan is dat duidelijk.
Vanavond komt mijn nicht, die met haar vrouw in Frankrijk woont, eten en een nachtje logeren. Er zal weer heel wat familie over de tong gaan. Net of ze er allemaal nog zijn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.