Uitvaart

Ik weet niet of het aan mijn leeftijd ligt of aan de tijd van het jaar maar met grote regelmaat liggen er overlijdensberichten in mijn brievenbus. De afgelopen weken elke week een. Achtereenvolgens waren het berichten van een neef, van een meer dan goede kennis en van de moeder van een vriend. Dat betekende steeds weer even nadenken over de dood en ook elke week naar een uitvaart. Je medeleven betuigen met de nabestaanden en de laatste eer bewijzen aan de overledene. Mooie archaïsche termen. Je medeleven, nee geen medelijden, dat brengt niemand verder. Maar medeleven, met nadruk op het woordje leven. Daar zit nog perspectief in. Dat reikt verder dan het nu op het oog zo doodse moment.
De laatste eer. Waar bestaat die helemaal uit? Uit je aanwezigheid bij de uitvaart. Dat doe je vooral voor de nabestaanden en voor jezelf. Afscheid nemen. Voorgoed. Maar daar heeft de overledene waarschijnlijk geen weet meer van. Heeft die überhaupt nog ergens weet van? Wie het weet mag het zeggen. Maar dat is niet te weten. Hooguit te geloven.
Bij een uitvaart wordt ik vooral geraakt door het verdriet van de ander. Als ik dat zie, schiet ik zelf ook vol, voel de brok in mijn keel. Ik treur niet om de dode. Die zal de eeuwige rust wel gevonden hebben. In het absolute niets of op een mooie plaats in het paradijs, al naar gelang zijn eigen overtuiging. Nee, ik heb te doen met hen die achterblijven, de groep mensen waar ik dan zelf ook bij hoor.
Misschien is het vreemd, maar ik ben ook altijd wat jaloers op dode mensen. De rust die zij uitstralen. Het is hen vaak aan te zien dat zij het lijden achter zich hebben gelaten, dat het niet meer hoeft, dat niets meer hoeft. Misschien is dat wel de hemel, dat niets meer hoeft. Dat is mij eigenlijk hemel genoeg. Niets meer hoeven, omdat niets meer kan. Dat is toch het troostrijk perspectief van een genoeglijk aards bestaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *