Uitvaart

We zijn net terug van een uitvaart. Gisteren viel de rouwbrief in de brievenbus. Uitvaart, rouwbrief, twee woorden, twee donkerbruine woorden. Het was het bericht van het overlijden van een oud-collega waar Gade en ik in onze ‘gemeentelijke’ tijd het nodige mee van doen hebben gehad en veel van geleerd. Een collega die niet dacht in moeilijkheden, maar in oplossingen. Een gesoigneerde heer waar je goed bij te rade kon gaan. Dat was nog in de tijd dat de financiële mensen, daar was hij er een van, nog creatief mee dachten en niet onmiddellijk de hakken in het zand zetten en waar ‘het kan niet’ niet op de lippen bestorven  lag. Mensen van ‘we zullen eens zien’ en ‘dat moet wel lukken’.
Hij was niet alleen een oud-collega maar ook de vader van iemand uit onze vriendenkring. En dan is het meer dan logisch dat je uit respect voor de vader en de zoon ter kerke gaat. Deze kerk lijkt deel uit te maken van een winkelcentrum. Verscholen tussen supermarkten en speciaal zaken ligt de kerk, een multifunctionele ruimte zo ingericht dat diverse denominaties er gebruik van kunnen maken zonder zich te hoeven ergeren aan de uitingen van de een of ander. Een groot groen houten kruis zonder corpus, een Maria-kapelletje  uit het directe zicht. Zo hou je iedereen te vriend. Ontmoetingskerk heet het gebouw waarin de diverse geloven sierlijk langs elkaar heen belijden.
De overledene had wat met dit gebouw, deze kerk. Zat jarenlang in het bestuur. Een financiële man met hart voor de zaak. Zo kende Gade en ik hem ook. Een pastoraal werkster gaat voor in deze communiedienst zonder opsmuk, maar met warme woorden van zonen en een kleindochter. Er is muziek, maar we hoeven niet mee te zingen. De gemeente zwijgt. Als ik ooit wordt uitgevaren mag er veel gezongen worden. Van niemand die voor zich zelf leeft en dat de engelen mij naar het paradijs zullen begeleiden. En tegen die tijd zal ik weten of dat er is.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *