Wending

Ik sta nog wat te praten met een van mijn favoriete boekverkoopsters. Het is zaterdag begin van de middag. De koffieclub was maar matig bezet. Twee van de tien leden aanwezig. Ik heb er net mijn traditionele zaterdaglunch genoten. Twee sneetjes bruin brood met zalm. De boekverkoopster heeft voor mij een boekje meegebracht. Ze heeft er op influistering van een collega wat aardigs ingezet en daar babbelen nog wat over na. Vrijblijvende vriendschappelijke kout. Een gesprekje dat nergens over gaat, maar juist daarom zo plezierig is. Small talk in de breedste zin van het woord.
Ik zie in de verte de gepensioneerde journalist aan komen lopen. Jaren geleden  zaten we samen in de redactie van de Nijmegen-scheurkalender,  met voor elke dag een wetenswaardigheidje over onze stad. Kalenders die goed verkochten, maar niet meer pasten in het toenmalige beleid van de leiding van de boekhandelketen waartoe mijn boekhandel behoorde. De kalender en keten stierven een niet zo zachte dood. Uit de as van de keten herrees een mooie zelfstandige boekhandel, de kalender legde voor goed het loodje. Ik heb de journalist lang niet meer gezien of gesproken en zeg tegen mijn gesprekspartner met enige verbazing: “Dat hij nog leeft?!” De journalist voegt zich bij ons kleine gezelschap en ik begroet hem met de woorden: “Ik zeg net, daar is H, dat die nog leeft.” De journalist kijkt me met een treurige blik aan, haalt zijn wenkbrauwen een beetje op, trekt met zijn mond en zegt, terwijl hij mij de hand schudt: “Ja, ja, ik nog wel, maar mijn vrouw is dood. Een maand geleden gestorven. Kanker, niets meer aan te doen.” Hij vertelt het verhaal dat erbij hoort en eindigt met een zucht: “En  nu, nu ben ik alleen. Ik ga maar weer eens verder, goed jullie even gesproken te hebben.” “Sterkte”, zeg ik. “Dank je”, zegt hij,  “Jij ook”.
Ik kijk mijn boekverkoopster aan. “Tsja. Goed weekend, mooie pinksterdagen.”  Veel meer valt er niet meer te zeggen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *