Toverlicht

De nieuwe brug is open. Ik moest naar benoorden de Waal. Kom, dacht ik, laten we de nieuwe brug maar eens nemen. Als geboren en getogen Nijmegenaar die de opening gemist had, vond ik het niet meer dan vanzelfsprekend dat ik zo gauw mogelijk de brug, de Oversteek, zou nemen. Vanwaar ik woon een op zich volstrekt onlogische keuze. Om de brug te bereiken moet ik helemaal de stad door, scheer langs de wijk waar ik geboren ben en kom zo op de vernieuwde rotonde en zoef de brug over. Kilometers om en uiteindelijk uit te komen bij de weg naar het noorden, vlak voorbij de oude Waalbrug.
Verkeerstechnisch heeft de nieuwe brug voor mij geen enkel voordeel. Ik zal er dan ook niet veel gebruik van maken, maar het hoorde bij mijn goed burgerschap de brug toch een keer te benutten. De brug is mooi. Onlangs heb ik een nieuw woord geleerd: graciel. Zo zou ik de brug willen noemen. Een teer bouwsel voor zwaar verkeer. Wat een verschil, deze lucide transparantie tegenover het robuuste staal van de oude brug. Het heldere wit, -hoe lang nog?- tegenover het vervuilde onbestemde beige-grauw. Het gladde wegdek tegenover het bonkige, uitgestukte plaveisel. Nijmegen verbeeld in twee bruggen. Uitersten die elkaar raken en versterken. Nieuw en oud, frivool en gedegen. De stad op zijn best.
Als ik verder rijd, ligt boven de Veluwerand een groot donker wolkengebied. In de verte zie ik bij Arnhem een grijs regengordijn. Maar ik rij met in mijn rug een fel stralende zon die een laag toverlicht werpt over de uiterwaarden. Het groen wordt groener, felgroen tegen de donkere achtergrond. Elke wei zijn eigen groen. Een betoverend landschap. Maar ook gewoon de kortste weg van hier naar daar waar ik moet zijn. De zon verdwijnt even achter een wolk. Het wondere licht verbleekt. De betovering lost op. Ik ben gearriveerd.

Een reactie op Toverlicht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *